Brussel, of waar het paard echt gebonden ligt (ontwerp deel 1 van 3)

Ik en Brussel. Ja, het is ook iets persoonlijks, mijn grootmoeder langs moeders kant was van Brussel, de helft van mijn moeders tantes, nonkels, neven en nichten woonden in en rond Brussel. Toen ik er in de jaren vijftig als kleine jongen, braafjes aan de hand van mijn moeder of zus, op bezoek kwam ging de wereld voor mij open. Mijn mond viel open van verbazing. Ik zei niets – het was de tijd dat de kinderen nog moesten zwijgen, was ook te verbaasd – maar ik zoog het wel allemaal in mij op. Brussel is zoiets als mijn eerste liefde. Tenslotte heb ik ook voor een kwart Brussels bloed door mijn aderen stromen, reken maar na. Bijna gaf ik dit artikel als titel mee: ‘Brussels, my love…’, maar het gaat niet alleen over mijn liefde voor Brussel. Mijn interesse in en bezorgdheid om Brussel bevat ook hopen rationaliteit, vergis u niet. Brussel is in die vijftig jaar fundamenteel veranderd maar het kosmopolitisch karakter ervan is nog ongeschonden, het is alleen maar toegenomen. Het is een smeltkroes van culturen geworden maar ook een kruitvat, waar de tegenstellingen tussen arm en rijk de pan uit swingen.

Het Brussel van het Belgique à papa is een spook dat ronddwaalt in de geesten van de Flaminganten. Het bestaat niet meer.

Maar, en… overal in Europa maakt Brussel om totaal andere redenen gevoelens los. Frustratie en onmacht. Brussel is voor veel Europeanen de plaats waar achter hun rug over van alles en nog wat bedisselt wordt. Het Brussel van de absurde regeltjes. Zoals we onlangs nog konden vaststellen, toen men ineens vanuit Brussel besliste dat je in plaats van 3 maand nog maar 1 maand in het rood mag staan bij je bank. De banken en de regeringen staan overal en altijd in het rood, maar de kleine burgerman, o wee. Brussel laat bij velen in Europa, gewone burgers, verarmde boeren, kleine producenten, arbeidsmigranten… een wrange nasmaak achter. De ‘stille staat’ Europa zoals hij genoemd wordt door Natan Hertogen heeft intussen ook een uit de kluiten gewassen repressieapparaat op poten gezet met FRONTEX en andere aan iedere controle ontsnappende instelligen. Big Brother Europa en natuurlijk ook het anti-sociale neoliberale Europa. Hierover wil ik het ook hebben. Welke rol speelt dit Europa in onze maatschappij, onze democratie?

Dus gaat dit artikel over twee dingen (1) Over Brussel als een van die unieke wereldsteden, bekend tot in de verste uithoeken van de wereld en (2) Brussel als hoofdstad van Europa. Het eerste is waarom ik hou van Brussel. Het tweede, is daar waar het ondemocratische en anti-sociale gedrocht opduikt waar de bijna fascistoïde trekjes van Europa zichtbaar worden. Er zijn enkele verbanden, want ook Brussel krijgt fascistoïde rimpels. Maar er is ook nog een (3) en dat is het Brussel dat de grote struikelblok is voor zowel de nationalisten van links als van rechts, in het Noorden en Zuiden, als ze het hebben over de splitsing van België. Dit moet het sluitstuk worden, waarin ik uitleg waarom een splitsing van België alleen maar de al bestaande negatieve tendensen, gedirigeerd vanuit Europa, zal versterken.

Het Brussel van mijn grootmoeder bestaat niet meer. Het Brussel van het Belgique à papa is een spook dat ronddwaalt in de geesten van de Faminganten. Het bestaat niet meer. Voor ons waren ‘de Brusseleirs’ rijke mensen. Onze nonkel Piet – met zijn zwart geld had mijn grootmoeder een huis gebouwd voor haar 7 kinderen toen haar man te vroeg kwam te sterven en ze uit hun spoorweghuisje gezet werden waar haar man als ‘piosser[1]’ wel recht op had maar zijn weduwe niet – kwam met zijn chique auto uit Brussel gereden en voerde ons naar de zee. Het was de eerste keer dat ik de zee zag. Ja, het waren praktisch allemaal middenstanders ‘de Brusseleirs’. Toen ik al wat ouder was, ontdekte ik in gesprekken met een bepaalde neef van mijn moeder, hij had nog gevoetbald bij Racing Molenbeek, dat hij niet echt meer op rozen zat. Als kleine middenstander moest hij zijn tenen uitkuisen om op te boksen tegen de moordende concurrentie… Bon maar laten we nu de familiegeschiedenissen achter ons om de sociaal economische geografie aan het woord te laten. Deze vertelt ons een en ander over de verloedering van Brussel. Het echte verhaal.

(1) Brussel als wereld stad

De verarming van Brussel

In 1969 was het belastbaar inkomen per inwoner van het Brussels Gewest 45% hoger dan het nationaal gemiddelde maar slechts 15% hoger een tiental jaar later (Thoulen en Kestens geciteerd in Kesteloot et alii, 1998, p. 127). Hoewel indicatief, verbergt deze statistiek een deel van de werkelijkheid, de verhoudingen binnen Brussel zelf, de verschuiving/verdringing van de armere bevolking, de polarisatie tussen rijke gebieden en arme gebieden enz.

Vanaf midden de jaren negentig zijn er gelukkig fijnmaziger analyses beschikbaar. Het is vooral dank zij Christian Kesteloot en zijn team dat we een beter inzicht krijgen in de verdere ontwikkeling van de armoede in Brussel. Het team gaat niet uit van het Hoofdstedelijk Gewest, wat een louter politieke en administratieve indeling is, maar van een geografische indeling, het  Brussels stadgewest. De functionele en morfologische grenzen daarvan rijken verder dan de 19 gemeenten. Tezelfdertijd voeren ze volgens dezelfde criteria ook een gelijkaardig onderzoek uit in de stadsgewesten Luik, Charleroi, Antwerpen en Gent. Bovendien delen ze Brussel in verschillende deelgebieden in. De agglomeratie bevat 36 gemeenten, inclusief de 19 gemeenten van het Gewest. 28 gemeenten vormen de Brusselse rand. Binnen de agglomeratie maken ze dan nog eens een onderscheid tussen de gemeenten van de eerste kroon en de tweede kroon. De eerste kroon: Brussel-Stad, Anderlecht, Molenbeek, Elsene, Sint-Joost, Sint-Gillis, Schaarbeek  was al verstedelijkt voor de Eerste Wereldoorlog (19de eeuwse gordel) en de tweede kroon, de overige gemeenten van het Brusselse Gewest, verstedelijkte later (Kesteloot et alii, 1998, p. 128).

We krijgen hier dus globaal andere cijfers, maar ze zeggen nog altijd hetzelfde:

“In 1994 behoudt de bevolking van het Brussels stadsgewest een hogere levensstandaard dan die van het land (tabel 1). Maar sinds 1980 is haar relatieve positie op deze schaal verslechterd: in 14 jaar tijd is het relatieve verschil tussen het Brussels stadsgewest en het hele land van +20% naar +7% gedaald. Gelijkaardige tendensen zijn aanwezig in de twee voornaamste Waalse stadsgewesten (Luik en Charleroi), waarvan het inkomen lager ligt dan het nationale gemiddelde. Daartegenover heeft Antwerpen haar relatieve positie weten te handhaven, en is die van Gent sterker geworden…” (Kesteloot et alii, 1998, p. 128-129).

Maar deze globale verslechtering camoufleert enkele paradoxale en alarmerende tendensen. In de agglomeratie stellen we een sterke daling van de inkomens vast terwijl in de rand de inkomens naar omhoog gaan. Dit verschijnsel doet zich ook wel voor in de andere stadsgewesten, maar veel minder uitgesproken als in Brussel. In de 1ste en de 2de kroon daalt het inkomen respectievelijk 19% en 20% onder het nationaal gemiddelde. Daarmee zitten ze ongeveer op het niveau van Charleroi en ruim onder de cijfers van de andere grootsteden. (Kestelloot et alii, 1998, p. 129)

Het Brussels stadsgewest heeft niet alleen de rijkste gemeente van België binnen zijn grenzen, Lasne, maar ook de armste, Sint-Joost-ten-Node. En die polarisatie in Brussel gaat maar door. Op onderstaande grafiek waar het belastbaar inkomen per deciel wordt weergegeven is de verwijdende kloof tussen hoogste en laagste inkomens duidelijk zichtbaar. (Kesteloot, Loopmans, 2009, p.2)

En op deze kaart kan je goed zien dat de armoede zich concentreert in de agglomeratie en de rijkdom in de rand. (Kesteloot, Loopmans, 2009, p.3)

De overall situatie van het Brussels gewest is er nog op achteruit gegaan in 2005. Was het gemiddelde gezinsinkomen er in 1963 nog 160% van het Belgische gemiddelde, dan is het in 2005 al gedaald naar 85%. In 1993 was het gemiddelde belastbaar inkomen van Sint-Joost maar 48,4% van dat van Lasne, in 2005 is het gezakt tot 42,6%. De werkloosheidgraad van 20% is er gewoon desastreus. Ik heb geen zin om het miserabilisme hier ten top te drijven, wie wil kan de teksten van Kesteloot zelf lezen, maar toch nog een opmerking vanuit een andere studie. De verarmde  bevolking van de agglomeratie wordt ook al verdrongen uit zijn arme getto’s. Jonge starters vestigen zich tijdelijk in de arme wijken en drijven zo huur- en huisprijzen verder de hoogte in. Deze proleten verhuizen echter niet naar de rand, maar gaan lotgenoten vervoegen in Gent, Ronse, Charleroi… (Van Criekingen M., 2006)

De oorzaken van de verarming en polarisatie in Brussel

In zijn eerste studie blijft het beeld van de verarming en polarisatie, zoals Kesteloot het schetst nog een beetje difuus, in de studie van 2009 is hij duidelijker. Toch geef ik hier een korte samenvatting van die oorzaken die Kesteloot in 1998 aanwijst. Armoede heeft vele gezichten en we mogen er ons niet te gemakkelijk van afmaken. Het blijft een complex probleem.

–         Suburbanisatie: In de jaren 60 hadden we de stadsvlucht van de bemiddelden naar de rand. Deze stadsvlucht vind je ook in andere steden. Wel is het zo dat plannen van de Brusselse overheden om het centrum te herbevolken in Brussel minder succes hadden. Na de sluiting van de Limburgse mijnen werd de regio langs het kanaal van Brussel een aantrekkingspool. Er kwamen veel huizen vrij en er was op dat moment genoeg aanbod van ongeschoolde arbeid in Brussel. Er waren werken aan de metro, kantoorgebouwen allerhande rezen als paddenstoelen uit de grond.

–         Onvolking en ontmenselijking van de stad: In Brussel werkt de suburbanisatie accumulatief. Ganse buurten worden plat gegooid voor kantoorgebouwen. Er wordt voorzien in brede toegangswegen en garages zodat de goedbetaalde pennelikkers vanaf hun ontbijttafel tot aan hun bureau kunnen rijden. Dit brengt een enorme toename van het verkeer in Brussel zelf teweeg. Brede lanen die je op het gevaar van je leven moet oversteken, met als gevolg verdere stadsvlucht. De migranten tenslotte hebben hun eigen voorzieningen uitgebouwd in hun verarmde buurten. Zijn hebben ook overlevingsstrategiën ontwikkeld en gemeenschappelijke plantrekkerij die hen nog meer aan de buurt binden.

–         Delocalisatie werkplekken naar de rand: De groeiende congestie van de Brusselse wegen heeft voor gevolg dat ook veel werkplekken, die vroeger in de stad waren ondergebracht verhuizen naar de rand.

–         Verdringing als gevolg van de onroerende speculatie: Onroerende speculatie ten gevolge van de Europese eenmaking en de inplanting van het Europarlement verdringen nog verder arme huishoudens.

–         Economische en culturele marginalisatie: De demografische groei bij de migranten bevolking blijft hoog, de sociale migratie is er echter bijna onbestaand. De ongeschoolde arbeid in de bouw is voor een groot deel weggevallen. Om allerlei redenen blijft de scholingsgraad van de migranten kinderen laag. Ze zitten opgesloten in concentratiescholen. Gevolg: marginalisatie zowel op cultureel als economisch vlak.

Uit de verschillende empirische studies blijkt dat wat zich in Brussel afspeelt, zich ook in andere steden afspeelt, zij het in veel mindere mate. Waarom het zo erg is in Brussel wordt niet meteen duidelijk. In 2009 laten Loopmans en Kesteloot er geen twijfel meer over bestaan dat ze verklaringen vinden die aansluiten bij het model van de  ‘Global Cities’ van Saskia Sassen, zonder haar weliswaar te citeren. Kon je de vorige eeuw nog de materiële inplanting van de EU als voornaamste versnellende factor zien, dit gaat niet meer op voor het nieuwe Millennium. En toch stijgt Brussel op de ranglijst van globale steden. Terwijl belangrijke steden in de VS uit de lijst verdwijnen, stijgt Brussel in de lijst van de 20 meest geconnecteerde steden van de 15de naar de 13de plaats (Ben Derudder et alii, 2010, p. 1868).

Zo ook starten Kesteloot en Loopmans hun synopsis ‘Social inequalities’ met enkele interessante vaststellingen. In Brussel zijn 2000 buitenlandse bedrijven gevestigd die instaan voor 234.000 banen en 40 % van het Brusselse BNP. De economische groei lag er tussen 1995 en 2005 2,2% hoger dan Vlaanderen en Wallonië, in Vilvoorde was dat 2,9% en in Nijvel zelfs 4%. Terwijl 1 op de 4 gezinnen in Brussel onder de armoedegrens leven is er ook een elite van 10 à 15% transnationale topverdieners.  (Kesteloot, Loopmans, 2009, p.1-3). Dit is een bizarre paradox, terwijl de economische bedrijvigheid toeneemt, stijgt ook de armoede neemt de polarisatie toe.

In 1998 stelde Kesteloot reeds vast dat de helft van Brusselse arbeidsplaatsen door Walen en Vlamingen werd bezet. In 2006 gaat het over 230.000 Vlamingen en 126.000 Walen. In de Belgische context is een herverdeling van inkomsten tussen de rand en het arme centrum echter ondenkbaar. Ook het gemeentefonds komt zo goed als niet tussen. De forenzen van buiten Brussel, gebruiken wel de diensten in Brussel. De Brusselse regering berekende het inkomensverlies toen al op 120 miljoen € voor her vervoer alleeen. Bovendien kan Brussel geen kantoorbelastingen heffen op de vele openbare gebouwen van Regionale, Federale en EU overheden (Kesteloot et alii, 1998, p. 130-131).

Waarom vinden de Brusselse migranten geen werk meer? Omdat er tegenwoordig maar 2 soorten jobs voor handen zijn in Brusselse agglomeratie. Jobs voor hoogopgeleiden en jobs die onderbetaald worden, die te maken hebben met het onderhoud van de gebouwen, de catering en verwante diensten. Alle industriële bedrijvigheid is verdwenen in de Brusselse agglomeratie. Er is nog wel wat industriële activiteit in de rand, er is nog 1 van 3 autofabrieken over van deze er oorspronkelijk waren. Volvo vertrok reeds veel eerder naar Gent, Renault is dicht. De overige industrie situeert zich voornamelijk in de dienstensector. Aangezien de meeste armen van Brussel eentalig zijn komen ze niet in aanmerking voor die jobs in de rand. En het feit alleen al dat ze uit Sint-Joost, Anderlecht… afkomstig zijn maakt ook dat ze niet aan hun trekken komen[2]. Ze worden gestigmatiseerd. Een gevolg van de ‘gettovorming’ en armoede is ook dat de armen minder mobiel zijn. Ze zitten als het ware gevangen in hun wijken.

De jobs die de armen in Brussel wel nog vinden zijn geenszins van die aard dat ze uit de armoede zullen geraken. Olivier Pintelon, een wetenschappelijk medewerker aan het Centrum voor Sociaal Beleid aan de Universiteit Antwerpen, schrijft over de werkende armen in België, die maken zowat 3,5% uit van de Belgische bevolking. Maar onderstaande tabel uit een studie van Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck Universiteit Antwerpen laat zien dat Brussel hier weer oververtegenwoordigd is (Ive Marx et alii, 2009, p. 16).

Dit gaat enkel over de reguliere jobs, maar als we eventjes een waarschuwing mogen laten horen van Saskai Sassen[3] er zijn ook de irreguliere jobs die weelderig uit de grond schieten in de globale steden:

“Inequality in the profit-making capabilities of different sectors of the economy has always existed. But what we see happening today takes place on another order of magnitude and is engendering massive distortions in the operations of various markets, from housing to labor. For instance, the polarization among firms and households and in the spatial organization of the economy contribute, in my reading, towards the informalization of a growing array of economic activities in advanced urban economies. When firms with low or modest profit-making capacities experience an ongoing if not increasing demand for their goods and services from households and other firms in a context where a significant sector of the economy makes super-profits, they often cannot compete even though there is an effective demand for what they produce. Operating informally is often one of the few ways in which such firms can survive: for example, using spaces not zoned for commercial or manufacturing uses, such as basements in residential areas, or space that is not up to code in terms of health, fire, and other such standards. Similarly, new firms in low-profit industries entering a strong market for their goods and services may only be able to do so informally. Another option for firms with limited profit-making capabilitiesis to subcontract part of their work to informal operations.” (Saskia Sassen, 1998, p. 84-85)

We hebben helaas geen empirische data over de schaduweconomie, over zwart werk, wat ook niet verwonderlijk is… maar wie een boek gelezen heeft als ‘Undercover in Klein-Marokko’ van Hind Fraihi, weet gewoon dat ze bestaat, met alle miserie vandien. Trouwens de ramingen van de schaduweconomie gaan voor België tot 21% van het BNP volgens onderzoek van Friedrich Schneider, maar hiervoor hebben we geen differentiaties.

Wat we in Brussel zien is niet langer de in ‘marxistische terminologie’ doordeweekse uitbuiting, het is super-uitbuiting, terwijl in datzelfde Brussel tientallen bedrijven actief zijn die super-winsten maken, managers rondlopen die super-bonussen binnenrijven.

Na de eerste golf van migratie in de jaren zestig, zeventig trok zich een nieuwe golf op gang begin de jaren negentig. Het is hierbij opmerkelijk dat in de jaren tachtig, toen het economisch slechter ging, er geen werk voor handen was, ook minder migratie van buiten af was. Maar met de val van de muur was het hek weer van de dam. De eerste golf werd veroorzaakt door de oorlog in Ex-Yougoslavië, maar andere golven uit zowel Afrika, Zuid-Amerika, Azië volgden snel. Het klopt niet dat deze arbeidsmigranten de al aanwezige werkloze arbeidsmigranten kwamen vervoegen. Als algemene regel kan men stellen dat arbeidsmigranten migreren naar plaatsen waar werk voor handen is (Verhoeven D., 2007). Maar het is irregulier werk dat hen lokt, slecht betaalt werk: het dagelijkse onderhoud van kantoorgebouwen, afwassen in de keukens van de catering, irreguliere thuisarbeid, gezinshulp  etc.

Het aandeel van het Brussels Gewest in het Belgische BNP is 18,7 %, terwijl het gewest maar een 10 % uitmaakt van de Belgische bevolking. Hier is het irreguliere circuit niet inbegrepen. Doe daar maar 5% bij, een snelle raming, want hier is Brussel natuurlijk ook de kampioen. Brussel staat op de 11de plaats in de ‘global cities index’. In de survey van  Knight Frank LLP i.s.m. de Citibank krijgt het zelfs de 6de plaats toegewezen. De rol van Brussel als zetel van zowel de NAVO als de EU speelt natuurlijk ook een rol, daaraan dankt het ook zijn 18de plaats in de ‘global power city index’, maar het is vooral op het vlak van de communicatie en de connectiviteit dat Brussel zo hoog scoort. Maar het zijn enkel de Vlaamse en Waalse middenklassen en transnationale topverdieners in de rand die van deze boost profiteren, de armen worden er alleen maar armer.

Kesteloot en Loopmans beschrijven de situatie als volgt:

“The fast diversification of the Brussels population altered the character of the city considerably. The foreign population in Brussels comes from all over and comprises ((grand) children of) earlier guest workers, Euro officials, multinational expats, refugees and illegal immigrants; some of whom are extremely rich and some extremely poor. This diversity leads to problems and conflicts including mutual racism and discrimination, riots and other expressions of abhorrence towards “the other”; origin and colour also seem to have a significant influence on the opportunities for climbing the social ladder.” (Kesteloot, Loopmans, 2009, p. 4)

Wat we in Brussel zien is niet langer de in ‘marxistische terminologie’ doordeweekse uitbuiting, het is super-uitbuiting, terwijl in datzelfde Brussel tientallen bedrijven actief zijn die super-winsten maken, managers rondlopen die super-bonussen binnenrijven. Vandaag stellen we vast dat allerlei overheden en ook een deel van de bevolking kiezen voor uitsluiting in plaats van inclusie. Brussel is een kruitvat. Het is een gedegenereerde vorm van kapitalistische uitbuiting die je nergens anders in België aantreft, maar wel in steden zoals Londen, New-York city, Bombay, Parijs, Shangai… kortom de andere  globale steden. Een van de spinnen, maar niet de enige spin, in het Web van de globale steden is de EU. In het volgende hoofdstuk proberen we dat te verduidelijken.

Toch een waarschuwing voor oversimplificatie: het zijn niet de Eurocraten of Yuppies die in Brussel rechtstreeks het conflict aangaan met de verpauperde bevolking, het is ingewikkelder dan dat. De achterliggende mechanismen zijn eerder versluierd dan dat er een openlijk conflict is, maar in de fond is er natuurlijk wel een huizenhoge tegenstelling. En natuurlijk zal ieder met een beetje empathisch vermogen vaststellen, dat die super-rijken zich wel bijzonder kil gedragen. Hier kan je ook een verschil opmerken met het vroeg industrieel kapitalisme. Sommige kapitalisten, zoals bvb Carels in Gent en Hanus in Lokeren (Zeveneken) draagden zorg voor de scholing van de arbeiderskinderen. Deze caritas is compleet uit hun wereldbeeld verdwenen. Het is ook geen kapitalisme met zo weinig mogelijk staat, het is een kapitalisme met veel staat, een dat de staat wil kneden en leegroven in de mate van het nodige. En als er banken moeten gered worden, worden ze voor een dag terug Keynesiaan of socialist zoals ze in de VS zeggen. Maar dat wist u al.


Referenties

DERUDDER BEN, Peter Taylor, Pengfei Ni, Anneleen De Vos, Michael Hoyler, Heidi Hanssens, David Bassens, Jin Huang, Frank Witlox, Wei Shen and Xiaolan Yang, (2010), “Pathways of Change: Shifting Connectivities in the World City Network, 2000–08”, Urban Stud 2010 47: 1861, DOI: 10.1177/0042098010372682

KESTELOOT C., MISTIAEN P. & DECROLY J.M. (1998) “De ruimtelijke dimensie van de armoede in Brussel: indicatoren, oorzaken en buurtgebonden bestrijdingsstrategieen”, in VRANKEN J., VANHERCKE B. & CARTON L., mmv. VAN MENXEL G. . eds., 20 jaar OCMW, naar een actualisering van het maatschappijproject, Acco Leuven, p.125-155.

KESTELOOT C., LOOPMANS M. (2009) ‘Social inequalities”, Brussels Studies, Synopsis nr 16, 3 March 2009

MARX IVE, Gerlinde Verbist, Pieter Vandenbroucke, Kristel Bogaerts, Josefine Vanhille; (2009), “De werkende armen in Vlaanderen, een vergeten groep?”, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck Universiteit Antwerpen Eindrapport 12 mei 2009 Een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma

VAN CRIEKINGEN M. (2006) “What is happening to Brussels’ inner-city neighbourhoods?”, Brussels Studies n°1, http://www.brusselsstudies.be/PDF/Default.aspx?lien=EN_27_BS1_english.pdf&IdPdf=27

SASSEN SASKIA, (1998) “The Global City: Strategic Site/New Frontier”, American Studies, 41:2/3: 79-95, p. 84-85

VERHOEVEN DANIEL, (2007), “Militarisering van de Europese Middellandse Zee grenzen en de Mythe van de Afrikaanse invasie”, thewingsofthecarp.wordpress.com, shortlink  http://wp.me/pmbj2-1pH


[1] Piosser is in de volkstaal de naam voor de laagste klasse van de spoorwegarbeiders.

[2] In de mijnen maakte het niet uit of je de instructeur begreep of niet. Deze laatste had genoeg aan gebaren… In een pakjesdienst bvb is de communicatie wel belangrijk. Het was gewoon fout dat men de arbeidsmigranten geen taalonderricht gaf toen ze hier aankwamen.

[3] De marxisten hebben het moeilijk met de analyse van Saskia Sassen, velen hebben er ook een totaal verkeerde voorstelling van, maar natuurlijk kan je de superwinsten die gemaakt worden in Brussel niet zomaar afleiden uit Das Kapital. Als ze eventjes de moeite doen een om Marx te herdenken kunnen ze terecht bij de marxist Christian Fuchs, A Contribution to the Critique of the Political Economy of Transnational Informational Capitalism, http://fuchs.icts.sbg.ac.at/RM.pdf

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s