De verongelijkten en de onzichtbaren

Door Paul Blondeel
(gepubliceerd met toestemming van de auteur)

Het oude emancipatie-ideaal hield mensen voor zich te ontdoen van onnodige vormen van afhankelijkheid, te onderscheiden van meer feitelijke afhankelijkheden zoals familie, gemeenschap en klasse. Een deel van de Vlaamse en socialistische strijd had deze ontvoogding tot doel. In het postindustrieel tijdperk gelden nog andere afhankelijkheden en zijn mensen op nieuwe manieren op elkaar aangewezen.


Socialisten hebben in zo’n inter-afhankelijke wereld een voetje voor: ze kunnen zich op de onzichtbaren richten, op de mensen die grote delen van de economie draaiend houden maar daar maatschappelijk erg slecht voor beloond worden. Beter dan de verongelijkten toont deze groep waar onze samenleving haar energie en haar menselijkheid verliest. Wat doen wij met die signalen, wij professionals uit de politieke en sociale praktijk?

Toen de socioloog Norbert Elias in 1965 nadacht over de structuur van maatschappelijke problemen, noemde hij zijn essay ‘de gevestigden en de buitenstaanders’.1 Het beroemde essay brengt verslag uit van Elias’ onderzoek over de manier waarop een hechte arbeidersgemeenschap uit Winston Parva (UK) omgaat met een groep nieuwe bewoners. Tegelijk illustreren Elias en zijn medewerkers hoe een case study voedend kan zijn voor heel onze kijk op de samenleving, ‘als het ware in een miniatuur’. Wat maakt een gemeenschap tot een gemeenschap, vragen de sociologen zich af, en ze geven zelf een verrassend actueel antwoord: ‘mensen worden afhankelijk van elkaar als ze met elkaar zaken doen, als ze met elkaar werken, spelen of hun religieuze plichten vervullen (…) Maar mensen raken ook afhankelijk van elkaar als ze op dezelfde plaats bijeen wonen, als ze zich vestigen in hetzelfde gebied. De onderlinge afhankelijkheden die zich tussen hen als buurtbewoners ontwikkelen, dát zijn de specifieke onderlinge afhankelijkheden, kenmerkend voor die gemeenschap’.2

De zwakke plek van het populisme

Op een letterlijk niveau is het citaat van Elias natuurlijk voorbijgestreefd (gemeenschappen strekken zich uit tot ver buiten de buurt) maar de sociologische bewering is uiteraard wel juist: gemeenschappen bestaan en houden op te bestaan op basis van onderlinge afhankelijkheid, op basis van interacties. Net dat basisinzicht staat vandaag op de tocht, niet in de theorievorming maar in de samenleving zelf. Grote groepen trekken zich feitelijk uit de samenleving terug en willen geen ‘onderlinge afhankelijkheid’. Ze gedragen zich vaak als verongelijkten en krijgen makkelijk gehoor bij de politiek – helaas niet alleen bij de extremistische zijde. Een groot deel van het politieke peloton vindt immers dat de burger moet worden bediend, wat diens vragen ook zijn. Diezelfde politici weten ook wel dat de verongelijkte burger met steeds nieuwe afhankelijkheden geconfronteerd zal worden. Maar toch klampen ze zich vast aan hun profiel van goede zaakvoerders: welke vraag de klant ook stelt, de vraag moet ernstig genomen en professioneel beantwoord worden. Ziedaar de onmogelijkheid om rechtse populisten ooit in te halen: omdat samenleven nu eenmaal zelf ‘een vorm van overlast’ is (een vorm van inter-afhankelijkheid), stopt de overlast pas echt als het sociaal contract zelf is opgeheven. In veel beter gesitueerde wijken zien we daar de voorafspiegeling van – de enorme eenzaamheid van de erg bemiddelde en in zichzelf gekeerde rijkdom. Veel TV soaps hebben van dit thema hun narratief gemaakt.

In dit essay kijken we ook naar de onzichtbaren en hoe zij omgaan met de toenemende inter-afhankelijkheid. Meer dan in Elias’ tijd vormen de onzichtbaren een substantieel deel van onze economieën. We denken aan mensen die een groot deel van onze industriële en stedelijk recreatieve machinerie in stand houden hoewel ze er onvoldoende geld voor krijgen, er geen sociale rechten mee opbouwen en vaak totaal onbeschermd blijven. We denken ook aan minder uitgebuite groepen; mensen die in wijken wonen met slechte voorzieningen en op die manier een veel grotere last van het samenleven dragen. Ondanks hun aanhoudende bijdrage aan het maatschappelijk en economisch leven, blijven ze onzichtbaar of worden ze actief onzichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld door hen te criminaliseren, hun geloof verdacht te maken, hun bijdrage aan de samenleving systematisch te verdoezelen. Wat doet de toenemende inter-afhankelijkheid met deze mensen?

De inter-afhankelijkheid speelt zich niet alleen in de buitenwereld af, bijvoorbeeld tussen onzichtbaren en verongelijkten onderling, maar ook in onszelf. Wat zich buiten op straat afspeelt, komt ook onze private wereld binnen – onze huiskamer en de nog meer private wereld van ons Zelf. Dat maakt ieder van ons kwetsbaar, althans diegenen die de buitenwereld ook toelaten. We kunnen de rancuneuze positie nooit helemaal bij de andere plaatsen; net zo min kunnen we onverschillig blijven voor de onzichtbare. De hoopvolle keerzijde is natuurlijk dat we op die manier onze menselijkheid kunnen herwinnen. Eigenlijk willen we niets liever dan solidair zijn; al weten we doorgaans niet goed hoe en met wie. Het mediagenieke leed van 33 Chileense mijnwerkers wekt ‘solidaire’ emoties op; een schuldig bevonden parachute springster krijgt tonnen sympathiebetuigingen; tegen de winter aan geven we dekens of levensmiddelen aan door de stad dolende asielzoekers of dakloze Roma. Deze eenmalige of terugkerende emotiefanfares zijn niet in tegenspraak met ons vermogen tot reële solidariteit. Wat we echt willen is dat het goed gaat met de ander; ieder van ons wordt beter van solidariteit; geven leidt niet tot verarming – wel integendeel. Ziedaar het zeer nabije en haalbare failliet van elk populisme. Nog nooit in de geschiedenis zijn zoveel mensen van deze principes overtuigd, nog nooit heeft het systeem zoveel weerstand moeten bieden om die inderdaad erg subversieve overtuigingen in te dammen. Want stel u voor dat we inderdaad insluitend gingen kijken, denken en leven: kom maar binnen, er is plaats, er is tijd. Stel u voor dat we ons echt om Brussel bekommerden, om de rijkdom die er is en de schrijnende armoede die er bestaat. Stel u ten slotte voor dat we op zo’n transparante manier onze instellingen hervormden: we houden met zijn allen op te frauderen, we maken onze gezamenlijke zwarte economie van ongeveer 34 miljard euro in één keer wit; we spijzigen de staatskas met zo’n kleine 7 miljard extra belastingsinkomsten per jaar. Op die eenvoudige manier hebben we in minder dan vier jaar tijd heel die draconische besparingsklus geklaard. Of is het dan toch waar dat een haalbaar en eenvoudig handelingsprincipe (belastingen betalen zoals we dat met elkaar afspreken) gemaskeerd moet worden door iets dat elke keer wordt voorgestelde als aartsmoeilijk en feitelijk onmogelijk (met twee regio’s samenleven)?

Is armoede dan te duur?

Drie decennia geleden kon Elia de samenleving nog kenschetsen als een tangodans van zogenaamde figuraties waarbij gevestigden en buitenstaanders elkaar aanhoudend op afstand hielden. Vandaag lukt de tango niet meer; ook de danspartners zijn veranderd. Wie de verongelijkten steeds opnieuw gelijk zou geven, bevriest het sociaal contract en dus elke maatschappelijke dynamiek. Wie tegelijk zou nalaten om de onzichtbaren te betrekken en hun bijdrage als ‘hardwerkende burgers’ veronachtzaamt, laat de dansvloer net zo goed onbezet. Het eerste scenario zien we bijvoorbeeld in de nog steeds uitdijende verkavelingen waar de gegoede burger nog steeds zijn private wereld optrekt, rijkelijk ondersteund door een extreem eigendomsvriendelijk beleid dat dit land al decennialang in haar greep houdt. Het is niet overbodig erop te wijzen dat deze vormen van wonen sociaal erg schraal zijn, ecologisch belastend en helemaal niet levensloopbestendig. Nog zorgelijker is de vaststelling dat een deel van het verongelijkt electoraat juist uit deze woongebieden afkomstig is, een vaststelling die ook voor Nederland geldt en daar erg nefaste implicaties heeft. We geven straks nog andere voorbeelden van hoe verongelijkten zich gedragen en welke implicaties het heeft als de politiek er achteraan holt.

Het tweede scenario (de onzichtbaren verder negeren) zien we helaas in Brussel. In zijn reportagereeks over twee Brusselse stadswijken spreekt onderzoeksjournalist Rudi Rotthier over een tiers mondalisering van de wijk Molenbeek: de kwaliteit en de dichtheid van het wonen gaan die van de derde wereld benaderen. Overdag huurt familie A een woning,’s nachts gezin B. Kelders en zolders worden oneigenlijk bewoond; slecht uitgeruste appartementen raken steeds verder opgedeeld; elektriciteit wordt illegaal afgetapt. De mensen voor wie de veiligheid afneemt, zijn in de eerste plaats deze bewoners zelf – de ongemakken voor de passant en de meer gegoede Brusselaar zijn natuurlijk vele keren kleiner. Hoewel de kwetsbare Brusselaars in het verongelijkte narratief nooit zo benoemd worden, gaat het hier om hardwerkende Vlamingen: ze poetsen de Brusselse kantoren, scholen en ziekenhuizen, ze werken bij DHL, ze onderhouden de hardware van de stad, ze vullen de schabben in de supermarkt, ze bakken de hotdogs van Bart De Wever als die zich alweer bezondigt aan een broodje in Brussel. Politici die zeggen dat Brussel te veel geld kost en intussen uitvoerig van de Brusselse centrumfuncties gebruikmaken, zeggen eigenlijk dat de Brusselse armoede te duur is – ofwel zeggen ze dat ze er niets mee te maken willen hebben. Het zou visionair zijn indien ze ook op dit vlak hun communautair standpunt ‘verduidelijkten’.

Ons denken muteren

De politieke vraag is hoe we de instellingen organiseren op een manier die ook de bijdrage van de onzichtbaren zichtbaar maakt. Die andere vraagstelling veronderstelt op haar beurt een andere houding. We noemen die houding inclusief of insluitend.

We gebruiken de term inclusiviteit hier in de betekenis die de humanist Feitse Boerwinkel aan dit woord gegeven gaf. In een uiterst populair essay uit 1966 pleitte Boerwinkel voor een soort universeel burgerschap3: inclusief denkende burgers plaatsen het belang van de andere op het voorplan, met name het belang van de meer kwetsbare groep, de bedreigde waarde, de weerloze kwaliteit. Door inclusief te denken, leren mensen dat andermans bestaansruimte cruciaal is voor hun eigen voortbestaan – niet in abstracte of theoretische zin maar in de concrete domeinen van het dagelijks leven (politiek, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, onderwijs, rechtspraak). Insluitend handelen vergt weliswaar enig morele bekwaamheid maar het is in de visie van Boerwinkel, helemaal geen aristocratisch project voor alleen maar hoogstaande mensen – integendeel. Onze tijd en onze aarde, zegt Boerwinkel, heeft mensen nodig die hun eigenbelang beter begrijpen en dat eigenbelang kunnen ze alleen maar inclusief vormgeven: ‘De totaal nieuwe situatie, waarin wij nu leven, vraagt een inclusief denken dat er principieel van uitgaat dat mijn welzijn niet verkregen wordt ten koste van of zonder de ander (Boerwinkel noemt dit het antagonistische zelf- en wereldbeeld), maar alleen als ik tegelijk het welzijn van de ander beoog en bevorder. (…) De bedoeling is niet dat het edeler of mooier is om het heil van de ander te bevorderen maar dat het verstandiger is. (…) Inclusief denken betekent allerminst halfzachtheid of relativisme. Wel zal men inclusief denkend (…) door alles heen vast moeten houden dat wij als mensen met elkaar op deze kleine planeet een modus vivendi, een manier om als mens te leven, moeten kunnen vinden, elkaar helpend door aanmoediging, maar niet minder door duidelijke kritiek en als het moet door verzet.’

Kennelijk voorzag of voorvoelde Boerwinkel de huidige stand van de globalisering met zijn hyperactieve en ultrasnelle communicatie: ‘De televisie simultaniseert ons, maakt ons deelgenoot van dit alles doordat wij via het beeldscherm plaatsgenoot en tijdgenoot van het gebeuren zijn.’ Deze ‘cascadische versnelling’ is volgens de auteur kenmerkend voor de nieuwe tijd, het is een abrupte overschakeling op een veel hogere versnelling die maakt dat de hele mensheid als het ware muteert, een mutatie die op haar beurt een mutatie van het denken vergt.4 De transformatie richting inclusiviteit moet worden geoefend, wat in de jaren na het verschijnen van Boerwinkels boekje op relatief grote schaal gebeurd is. Brandweerlui en verenigingen voor huisvrouwen organiseerden oefendagen in inclusief denken en inclusief geld besteden; voor wereldwinkeliers was Boerwinkel een tijd lang verplichte kost. Zelf geven we aan Boerwinkels term een minder voluntaristisch invulling. Inclusiviteit is dan geen ethos voor denkbeeldige wereldburgers maar een handelingsstrategie voor (onder meer) welzijnsprofessionals en mensen uit het middenveld. Maar eerst bekijken we een andere effect van inter-afhankelijkheid, een basishouding die helaas frequenter voorkomt: rancune. Rancune pakt anders uit naargelang je jezelf tot de verongelijkten rekent of feitelijk onzichtbaar bent.

Wat aan rancune voorafgaat

Erg vereenvoudigd kunnen we zeggen dat een eerste groep mensen rancuneus is omdat ze geen bijdrage meer willen geven aan het grotere geheel; ze zijn verongelijkt en hebben zich tamelijk definitief teruggetrokken. Andere mensen worden rancuneus nadat ze gaandeweg ervaren hebben dat hun inspanningen nooit gehonoreerd raken. Hoezeer deze groep ook mee probeert te doen, echt mee tellen zit er niet in – ze blijven maatschappelijk en vaak ook in hun eigen gemeenschap onzichtbaar. Natuurlijk is het zo dat de onzichtbaren en de verongelijkten elkaar overlappen: ook wie zich terugtrekt, wordt onzichtbaar; aanhoudend miskend en/of gediscrimineerd worden, kan ertoe leiden dat mensen zich behalve gelaten ook erg verongelijkt gaan gedragen,… De onzichtbaren van gisteren kunnen zeer wel de verongelijkten van vandaag zijn – zie daar in de woorden van Feitse Boerwinkel ons gezond ‘eigenbelang’ om de onzichtbaren van vandaag niet in de steek te laten.

De erg uiteenlopende aanleidingen die maken dat mensen zich rancuneus terugtrekken, zijn niet dezelfde als de situaties die mensen onzichtbaar maken of houden. De Vlamingen die nog rancuneus is omwille van de vroegere onderdrukking als taalminderheid, zijn de 70 reeds ver voorbij. Bij dit Vlaamse kernelectoraat hebben zich heel andere groepen gevoegd: Nederlandstaligen uit de randgemeenten rond Brussel die door de stijgende woningprijzen geen betaalbare woning meer vinden; mensen in stadswijken die zich verlaten voelen door de politiek; een flink deel van het vroegere Vlaams Blok electoraat; nogal wat vrije beroepen; winkeliers en kleine ondernemers die de belastingsdruk te hoog vinden;… Het rijtje is allicht nog veel langer, even lang als de afgeleide betekenissen die de term rancune kan hebben: slachtofferschap; hulpeloosheid; gebrek aan verantwoordelijkheidszin;… Het geeft meteen ook aan hoe heterogeen de groep ‘verongelijkten’ waarschijnlijk is.

Maar hoe zit het met de tweede groep, de onzichtbaren? Die zijn natuurlijk onzichtbaar… De situaties die aan deze rancune voorafgaan, hebben te maken met uiteenlopende vormen van lijden, met berusting en vaak ook met wanhoop; we denken aan mensen die in aanhoudende onzekerheid leven of juist af te rekenen krijgen met erg onverwachte of heel nieuwe vormen van armoede.5 Best mogelijk dat ook zij in het stemhokje bezweken zijn voor wat later een ‘Vlaams-nationalistische tsunami’ bleek. In dit geval dringt zich een andere lectuur op van de laatste stembusuitslag: behalve verongelijkten hebben ook veel onzichtbare mensen op de partij van De Wever gestemd. Het schijnbaar zelfzekere antwoord op de verkiezingsvraag (kunnen we in dit land nog met Franstaligen samenleven?) zou dan een tweede en meer fundamentele vraag gemaskeerd hebben: hoe kunnen we de bijdrage van mensen die erg hard werken maar zelf onzichtbaar blijven, weer zichtbaar maken?

De Brusselse socioloog Eric Corijn wijst erop dat die tweede vraag vooral in de grote steden haar antwoord vindt: ‘Het Vlaams nationalisme bouwt in feite voort op een zeer suburbane cultuur, op een landelijk Vlaanderen dat de stad als een lastig gebruiksvoorwerp ervaart’. En dat terwijl ‘de globalisering voltrekt zich via stedelijke knooppunten. Die dynamiek moet worden gedragen door een open, meervoudige en kosmopolitische cultuur (…). Net die onzuiverheid en mengvorm lijken de Vlaamse publieke opinie af te schrikken.’

Als Corijn gelijk heeft, is het vooral in de stad dat we de nieuwe inclusiviteit kunnen vormgeven. Je ziet dat her en der ook al gebeuren. In nogal wat centrumsteden ontstaan er feitelijke coalities tussen politici en middenveldorganisaties die ondanks de verzuring een sociale agenda voeren. De civiele samenleving maakt er stapsgewijs werk van een Marshallplan voor onderwijs; burgers leveren zelf inspanningen om de immense taalachterstand omlaag te krijgen of voeren acties die de wooncrisis voor lagere inkomens aanpakken. Stadsbewoners hebben bij zo’n beleidsprioriteiten een groter belang dan mensen die de stad de rug hebben toegekeerd of dat oord alleen nog kennen als een plek voor consumptie, als een ‘lastig gebruiksvoorwerp’.

De Wever heeft zeker gesurft op die antiurbane onderstroom, al was het maar door alle problemen uit de actualiteit juist niet met solidariteit te verbinden maar met de volgens hem stokkende staatshuishouding. Het nieuws leverde hem maandenlang illustraties voor die omkering: in enkele Brusselse wijken was het weken na elkaar onrustig; er werden criminelen gesignaleerd met kalasjnikovs, een politieagent liet het leven; asielzoekers waar geen opvang voor was, werden in dure hotels gehuisvest of zwierven rond op straat… Terwijl geen van deze problemen met communautaire maatregelen opgelost raakt, gebruikte De Wever ze iedere keer weer als bewijsmateriaal: zoals het nu gaat werkt het niet. Ziedaar rancune in haar meer giftige verschijningsvorm: ga geen engagement aan, trek je zelf terug, gebruik het meest negatieve uit de actualiteit als bewijs materiaal voor je gelijk.

Van wie is de stad?

Onder het succes van De Wever zit een kernideologie die nog veel negatiever is dan het brede electoraat dat de politicus heeft kunnen aanspreken. Zoals bekend is deze ideologie academisch verwoord door de Leuvens prof Bart Maddens.6 Ze informeert ons over belangrijke obstakels die het inclusieve maatschappijproject in de weg staan. Volgens de Maddens-doctrine moeten strijdbare Vlamingen het einde van België bespoedigen door in steeds nieuwe stapjes voortdurend de federale staat uit te hollen. Als we deze strategie verbinden met het N-VA-standpunt over Brussel, betekent dat het volgende: investeer niet meer, laat toe dat wat nog werkt tot stilstand komt, wijs voortdurend op falen, beloof de mensen de hemel als België ophoudt te bestaan.

Indien de Maddens-doctrine wordt ingezet als richtlijn voor het dagelijks leven, zal ze het sociaal contract op de helling zetten. De individuele Vlaming zal dan ook in zijn eigen gemeenschap niets doen voor een samenleving die zijn materiële belangen niet (of slecht) verdedigt; hij trekt zich terug in verbanden waar zijn ontplooiing maximaal gegarandeerd is. Uiteraard is er nergens in Vlaanderen sprake van zulk een aanbeveling maar in Vlaamse cafés en tijdens familiefeestjes horen we al decennia de erg herkenbare varianten: je kunt maar beter een deel van je belastingen niet betalen; wie dat toch doet is een halve gek; de overheid is een instantie die zo niet corrupt dan toch bij voorbaat verdacht is. Dat is wat Boerwinkel bedoelt met zijn uitspraak dat inclusiviteit behalve noodzakelijk ook verstandig is: wanneer we zo systematisch belastingen ontduiken en ontwijken, kunnen we straks geen wegen meer herstellen, geen zorg en vergrijzing financieren, geen kwaliteitsvol onderwijs organiseren… De aanhoudende en schaamteloze boycot van de publieke zaak valt niet goed te praten. Het is geen couleur locale; geen typische uitkomst van de Vlaamse geschiedenis die, aldus de vergoelijking, een lange opeenvolging is geweest van steeds andere heersers waardoor het DNA van de doorsnee Vlaming een gezonde dosis wantrouwen heeft meegekregen.

Een soort loopgraven stedenbouw

De vraag die ertoe doet is of deze boycot symptomatisch is voor een wereldwijde evolutie. In dat geval zou het basisargument van professor Maddens kunnen kaderen in een planetaire ‘retrenchment of the rich’, de terugtrekking van de rijke en zeer rijke middenklasse die in de derde wereld extreme vormen aanneemt. De fysieke afzondering in zwaar bewaakte en goed uitgeruste nieuwbouwwijken, laat er een stadsweefsel achter dat zichtbaar aan kwaliteit en uitrusting inboet. De ruimtelijke afzondering gaat dus gepaard met politieke en administratieve terugtrekking: rijke groepen verlaten in feite de publieke sfeer; ze creëren eigen winkels en scholen en enkele keren ook eigen vervoers- en bewakingsystemen. In haar studie over Sao Paolo spreekt de Braziliaans antropologe Teresa Caldeira over een Alfastad voor de rijken en een Omegastad voor de grote massa (Caldeira 1999 en 2002)7. Het zorgwekkende is dat de sjablonen die in Sao Paolo gebruikt werden bij de creatie van de rijke getto’s, steeds vaker toegepast worden voor meer bescheiden en modale ontwikkelingen; dat ook gewone middengroepen een ‘alfa stedenbouw’ opeisen.

Ook in Europa is er sprake van Alfastedenbouw, hoewel niet op die schaal. Betere wijken slagen erin om beter uitgeruste politiediensten aan te trekken, met meer agenten per inwoner en met de inzet van allerlei nevendiensten, vaak geleverd door geprivatiseerde firma’s. In België zijn er de door politiediensten ondersteunde buurtinformatie netwerken (BIN’s). Het verlangen naar een Alfa stedenbouw herkennen we ook in de beelden die de bewoners van de groene stadsrand er over de stad op nahouden. De suburbaan bewoner – zowel Belg als Nederlander – heeft de macht om eisen te stellen aan het uitzicht en de inrichting van het publieke domein in de stad; hij vraagt en krijgt een commercieel – recreatieve omgeving waarin elk ongemak geweerd is. Kapitaalkrachtige groepen willen in de groene stadsrand wonen maar tegelijk in de slagschaduw van de vibrerende wijken in het oude stadscentrum – vandaar de bloei in tweede verblijven en allerlei pieds á terres. De Europese Alfastad bevindt zich niet buiten de oude stadscentra maar er middenin, als sluipende eis om stedelijke omgevingen te modelleren naar de smaak van de hoogste bieder, de best gesitueerde consument.

In de winkelstraten van sommige Vlaamse steden hebben de lokale zaakvoerders verkregen dat bedelaars op de stoep verwijderd worden; dikwijls is die eis zelfs opgenomen in een lokale politieverordening. De potentieel verongelijkten kregen dus gelijk; de potentieel onzichtbaren werden nog meer onzichtbaar. De stille instemming met zo’n politieverordening vertelt iets over onszelf. Als mensen die verder geen overlast berokkenen verjaagd worden uit het publieke domein, verandert zowel dat domein (het wordt minder publiek) als wijzelf (onze mogelijkheden als burgers worden een stukje kleiner).

Inclusief onderhandelen werkt beter

Ongeacht de uitkomst van deze definitieve staatshervorming, blijven we nog jaren zoet met het peilen naar de betekenis van de recentste verkiezingsuitslag. De ochtend na de verkiezingen van 13 juni 2010 is het land hertekend en lijkt er ook in ons hoofd iets verschoven. Dat onafhankelijkheid een beter Vlaanderen oplevert, is voor separatisten niet meer zo zeker; vurige unitaristen dragen nu zelf argumenten aan voor een betere regionalisering. Na weken van opgepompt gelijk tijdens de campagne, werden we in enkele etmalen tijd weer mensen met tegenstrijdige gevoelens, erg vaak in tegenspraak met zichzelf. De gebeurtenissen illustreren dat antagonistisch denken niet langer loont. In het oude ‘België’ gunden Vlamingen en Walen elkaar telkens een aantal claims zodat de tegenpartij haar objectieven weer kon nastreven. Waarna ieder onverschillig de weg vervolgde tot het weer vastliep en een nieuwe ronde afspraken nodig was. Die carrousel is sinds 13 juni voorbij. Onderhandelen kan niet meer op basis van exclusieven, op basis van onverschilligheid ten aanzien van de andere. Daar verhelpt ook het genie van De Wever niet aan.

Kijk alleen al naar de feitelijke interdependenties! De hele regio ten zuiden van Brussel en een deel van de provincie Henegouwen zijn economisch, cultureel en sociaal zo verstrengeld met het noorden dat onverschilligheid niet meer loont. Werkzoekenden en kandidaat werknemers in heel de Brusselse regio trekken zich niets aan van de taal- en bestuursgrenzen; groeipolen in de Waalse regio (bijvoorbeeld Namen en zelfs Charleroi) rekruteren veel verder dan hun taalgebied; een van de Europese culturele hoofdsteden, de provinciestad Mons (Bergen), organiseert zijn programma op een bi-communautaire leest, o.a. samen met de stad Gent.

In het nieuwe België moeten we wel samenleven, met een gemeenschap die cultureel en nu ook politiek anders functioneert dan wijzelf. Het opent perspectieven die misschien ook elders bruikbaar zijn. We worden vriendelijk verplicht ons in te laten met de andere, niet zozeer uit altruïsme maar uit wel begrepen eigenbelang. We herkennen het ook in ons dagelijks leven: de andere moet zijn verzuchtingen kunnen waarmaken en het is van belang dat ik dat mee garandeer. Tegelijk hebben we het moeilijk met inter-afhankelijke verhoudingen. De dominante cultuur heeft ons geleerd dat (zelf)ontplooiing hetzelfde is als onafhankelijkheid; afhankelijk zijn van andermans welbevinden is iets voor softies.

Stem geven aan zij ‘die in het donker staan’

Socialisten hebben in zo’n situatie een enorme voorsprong. Ze kunnen zich laten leiden door mensen die in het donker staan. Want juist die mensen weten veel over al die (inter-)afhankelijkheden, over de acupunctuurpunten waar onze samenleving telkenmale haar energie verliest – en hoe we die energie eventueel kunnen terugwinnen. Ik illustreer het graag met een voorval uit mijn onderzoekswerk in Rotterdam.

In de deelgemeente Delfshaven, interviewde ik in één straat een tiental gezinnen waarvan alle kostwinners minstens twee baantjes combineerden.8 Sommige werkuren vielen ’s nachts; anderen begonnen om half vijf ‘s ochtends. Al deze mensen huurden woningen waar de corporatie niet meer naar omkeek, met onder meer kapotte rioleringen en beschimmelde muren. Een aantal van die mensen was erg actief in het lokale bewonerswerk. Groot was mijn verbazing toen op een ruim bijgewoonde bewonersbijeenkomst een directeur van de corporatie vertelde over de afwezigheid van de bewoners bij een werkbezoek aan de wijk: ‘We zijn toen om elf uur ’s ochtends hier bij het kasteel van Spangen vertrokken’, zei hij, ‘maar van jullie was niemand aanwezig want jullie lagen natuurlijk nog allemaal te pitten’. Ik keek naar de aanwezigen in de zaal, onder meer enkele mensen uit die bewuste straat. Niemand verroerde een vin. Ik zag opeens hoe succesvol vernedering en arrogantie elkaar de hand geven. De spreker die het allemaal wat amicaal bedoelde, behield op een bijna belachelijke manier zijn gelijk; de luisteraars bleven voorspelbaar ongezien en stil. In de wereld van de spreker doen die luie bewoners eigenlijk niet mee; ze vinden de sociale cohesie van de directeur niet belangrijk; ze blijven gewoon slapen op een vrije dag…

Onzichtbaar blijft de inspanning die ze dag in dag uit wel leveren, onzichtbaar hun slecht betaalde en nauwelijks beschermde baantjes; onzichtbaar ook het cynisme van een sociale huisvestingsmaatschappij die kapotte rioleringen niet herstelt. Ik zag twee erg uiteenlopende aanleidingen voor mogelijke vormen van rancune: iemand die geleerd heeft te spreken en een zaal vol mensen die vooral het zwijgen geleerd hebben. Het is een onnodige afhankelijkheid die raakt aan onze positie als politieke en sociale professionals. Het is in ons eigen belang dat deze mensen het woord nemen. Dat eigenbelang is inclusief: wanneer we stem geven aan stemlozen, verandert ook de structuur waarin we werken. Zo’n inclusieve houding kan dus ook de verhoudingen aantasten. Dat was precies wat Boerwinkel voor ogen stond.

Paul Blondeel

 

Eindnoten

[1] Norbert Elias en John L. Scotson: The Established and the Outsiders. A Sociological Enquiry into Community Problems, London: Frank Cass & Co. Nederlandse vertaling: De gevestigden en de buitenstaanders. Een studie van de spanningen en machtsverhoudingen tussen twee arbeidersbuurten. Uitg. E.R. Ruward b.v. Den Haag 1987.

[2] O.c. p. 187 (in de Nederlandse vertaling).

[3] Feitse Boerwinkel. Inclusief denken: een andere tijd vraagt een ander denken. Bussum/Paul Brand, 1966 (eerste druk); 1971 (14de) druk. Er zouden uiteindelijk 35.000 exemplaren van het boekje verkocht worden.

[4] Maarten Van der Linde, Feitse Boerwinkel, inclusief denker. Horstcahier 26, Centrum voor sociaal werk/de Horst, Amersfoort 2006.

[5] Opeenvolgende jaarboeken over armoede waarschuwen niet alleen voor de toename van de armoede maar ook voor de weerbarstigheid van nieuwe vormen van bestaansonzekerheid – bijvoorbeeld die weliswaar werken maar toch arm blijven; onderbetaalde beroepen in de schoonmaakindustrie; …

[6] Maddens beweert dat België eigenlijk nooit levensvatbaar was en dat de overbodigheid van ‘de Belgische constructie’ pas nu – als een orgelpunt van de Vlaamse emancipatie – aan het licht kan komen.

[7] Caldeira T. Fortified enclaves. The new urban segregation. In: Setha Low (Ed.) Theorizing the city: a new urban anthropological reader. Rutgers university press. pp. 83 – 106

[8] Paul Blondeel, De rancune voorbij. Beginnen te luisteren naar wie we niet geluisterd hebben. In: Bruggen bouwen. Aan de slag met de kloof tussen burger en politiek. Aedes Forum, 2010.

 

 

Dit artikel verscheen eerder in Samenleving en politiek

Paul Blondeel is sociaal pedagoog en werkt als zelfstandig onderzoeker. Hij bereidt een boek voor over sociaal duurzame stadsontwikkeling.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s