Bedenkingen bij het onderzoek naar online burgerparticipatie in Nederland

Het onderzoek  ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’ van Tom P. Bakker biedt weinig perspectieven. Er is gekozen voor een afstandelijke empirische benadering die vervalt in psychologisering. Het slaagt het er niet in de hindernissen voor burgerparticipatie in hun historische en maatschappelijke context te plaatsen. Op die manier dreigt het een legitimatie te worden van commerciële netwerken zonder uitzicht op een alternatief.

FOTO UIT ‘U IN DE WIJK’, WIJKTELEVISIE IN ACHTERSTANDSWIJKEN IN UTRECHT, PROJECT MET VRIJWILLIGERS

FOTO UIT ‘U IN DE WIJK’, WIJKTELEVISIE IN ACHTERSTANDSWIJKEN IN UTRECHT, PROJECT MET VRIJWILLIGERS

Conclusies van het Empirisch Onderzoek naar Online Burgerparticipatie in Nederland

Hoofdstuk 1 en 2 van ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’ werden in het vorig artikel besproken. Hoofdstuk 3, 4 en 5 mochten we nog niet inkijken – geen idee waarom – maar de conclusies van het volledige onderzoeken werden wel al vrij gegeven.

De auteur besluit uit hoofdstuk 2 dat niet-politiek en passief gebruik van participatieve online media in een zekere mate populair zijn. Daarentegen politiek en actief gebruik ervan blijft beperkt tot enkele procenten van de bevolking. (Bakker, 2013, p. 135)

In hoofdstuk drie stelt de onderzoeker dat burgerjournalisten eerder een extraverte en open persoonlijkheid hebben.

De inhoudsanalyse van actieve politieke blogs in Nederland, in hoofdstuk vier, onderscheidt drie types bloggers: (1) columnisten, met een focus op nationale politiek en meestal persoonlijke en kritische commentaren, (2) lokale activisten brengen vaker authentiek nieuws uit hun omgeving en proberen hun publiek te mobiliseren en (3) filter bloggers die hun content vooral halen uit de ‘mainstream media’

In hoofdstuk vijf poneert Tom Bakker dat de politieke bloggers in Nederland, meestal ouder zijn en bij links aanleunen. Als bron gebruiken dikwijls ‘mainstream media’, maar behandelen topics die daar volgens hen voldoende aan bod komen en proberen zo de publieke opinie te beïnvloeden. Toch hebben ze geen hoge pet op van het effect van deze activiteit. Slechts 20% van hen beschouwt zichzelf als burgerjournalist.  (Bakker, 2013, p. 136)

Tenslotte besluit Bakker dat uit de studie blijkt dat professionele journalisten onvervangbaar zijn, dat ‘user-generated content’ eerder ‘entertainment’ is dan hard nieuws en dat de samenwerking tussen journalisten en hun publiek een complexe materie is. (Bakker, 2013, p. 137)

Onderzoek staat los van de machtsstructuren in onze maatschappij

In het opinie-onderzoek bleek de belangrijkste rem voor online burgerparticipatie ‘de bezorgdheid voor de privacy‘ te zijn (Bakker, 2013, p. 34). Sedert  Internet is maatschappelijke controle alleen maar toegenomen. De democratische rechten verdwijnen de een na de ander in een zwarte doos. En dat maakt veel mensen minstens toch zeer voorzichtig of angstig.

Om de integriteit van burgers te beschermen tegen alle vormen van mogelijke chantage in de toekomst is een strikter privacy-beleid nodig. Maar dit gevecht met Google, Facebook, DGSE, GCHQ… en de NSA lijkt meer op ‘pompen of verzuipen‘.

Hoe gezichtsherkenning werkt op het Net en elders

Hoe gezichtsherkenning werkt op het Net en elders

De Liga voor Mensenrechten in België vreest terecht voor “de veramerikanisering van privacy” sedert de omzetting op 18 juli 2013 van de Europese databewaringsrichtlijn naar nationale wet. In Nederland is de datretentierichtlijn al in 2009 omgezet in wetgeving. De Liga voor Mensenrechten schrijft:

“De algemene bewaarplicht schendt het recht op privacy en vertrekt van de idee dat elke burger potentieel gevaarlijk is door iedereen te onderwerpen aan het preventieve toezicht van de overheid.”

“Als er afstand wordt gedaan van het rechtsprincipe dat mensen als onschuldig worden beschouwd tot het tegendeel is bewezen, komen we terecht in een samenleving die haar eigen burgers wantrouwt in plaats van ze te beschermen.”

De invloed van de institutionele structuren op bewegingsruimte van de burgers kan niet duidelijker geïllustreerd worden. Politici hebben hun mond vol over de bescherming van de burgers, maar ze laten die burgers op cruciale momenten in de steek. In 1958 schreef C. Wright Mills in ‘The Structure of Power in American Society’:

“Gebeurtenissen die buiten menselijke beslissingen vallen komen voor; sociale arrangementen veranderen zonder het gevolg te zijn van een expliciete beslissing. Maar voor zover dergelijke beslissingen worden genomen, is het fundamentele probleem van de macht, wie betrokken is bij het nemen er van. Voor zo ver dergelijke beslissingen niet genomen werden, als het ze wel konden genomen  worden,  wordt het probleem wie daarin te kort schoot.” (Mills, 1956, p. 29)

De rol en invloed van de verschillende overheden, de politieke klasse en economische machtscentra blijken niet te bestaan in het onderzoek van Tom Bakker.

In een onderzoek naar burgerparticipatie zou men minstens de vraag moeten stellen of de politieke en economische macht die participatie wenselijk vindt of niet. Hoe ze die participatie stimuleert of integendeel burgerinitiatieven drooglegt of in de kiem smoort. Welke wel, welke niet?

In zijn proefschrift confronteert Tom Bakker de werkelijkheidsvreemde utopieën van Dan Gillmor, Jay Rozen en Mark Deuze met een even werkelijksheidsvreemd empirisme. De navelstreng met de sociale werkelijkheid is er doorgeknipt.

Werkelijkheidsvreemd empirisme en psychologisering

Los van de vraag of het opinie-onderzoek van Tom Bakker gedateerd is – het werd uitgevoerd in 2009 en 2010 – is elk opinie-onderzoek slechts een momentopname. Opinie-onderzoek registreert opinies, geen menselijke activiteiten in hun maatschappelijke context.

De achterliggende institutionele structuren, en hoe die de respondenten, en eventueel ook hun antwoorden, beïnvloeden leren we zo niet kennen. Intussen  heeft hij wel de pretentie hun persoonlijkheid te kunnen blootleggen. Opinie-onderzoek als doorkijkspiegel.

C. Wright Mills noemde deze sociologische methodiek werkelijkheidsvreemd empirisme:

“Het schema van zulke studies bestaat uit de meest eenvoudige classificatie van vragen: wie zegt wat tegen wie via welke kanalen en met welk resultaat?” (Mills, 1959, p. 58)

De onderzoekers peilen naar de psychologische reacties van individuen (Mills, 1959, p. 75). Het persoonlijkheid onderzoek in hoofstuk drie van het proefschrift van Tom Bakker solliciteert naar deze kwalificatie van psychologisme. De relevantie ervan ontgaat mij. De nauwkeurigheid is om zijn minst twijfelachtig.

Sociologisch onderzoek dat enkel feiten verzamelt, los van hun structurele achtergrond, reduceert de oplossing van sociale problemen tot een gebruiksaanwijzing voor politici, de overheid en de machtselite. Het laat hen toe  manipulatie-technieken te verfijnen en de bureaucratie beter te laten draaien (Mills, 1959, p. 109-128).

Als een onderzoek meer wil zijn dan louter een marketing studie voor de machtselite moet het ook oplossingen bieden voor de burgermaatschappij. Maar de grond van die problemen haal je niet uit een opinie-onderzoek.

De nodige  competenties voor online participatie blijven onderbelicht

Het lijkt mij onbegonnen werk om aan de hand van een opinie-onderzoek het gebrek aan opleiding te onderzoeken bijvoorbeeld. Het onderzoek stelt alleen vast dat de actieve gebruikers van participatieve media meestal jonger, mannelijk en hoog opgeleid zijn. (Bakker, 2013, p. 31).

Nergens wordt de vraag gesteld hoe dat komt. Daarvoor is praktijk-onderzoek nodig. Hoe kunnen de respondenten weten wat ze niet weten, wat zij niet kunnen en waarom zij dat niet kunnen? En ook als ze zich wel van een en ander bewust  zijn, ligt het niet voor de hand om daarmee te koop te lopen. Enkele praktijk-onderzoeken hieronder zijn zeer verhelderend.

In 2008 onderzocht Alexander van Deursen  het niveau van internet-vaardigheden van de Nederlandse bevolking. In het onderzoek is de volgende vierdeling van digitale vaardigheden is gehanteerd:

Operationele vaardigheden

  • Bedienen van een internet browser
  • Bedienen van en zoekmachine op internet
  • Het gebruiken van online formulieren

Formele vaardigheden

  • Kunnen navigeren op het internet
  • Behouden van en gevoel van oriëntatie tijdens het navigeren op het internet

Informatie vaardigheden

  • Het kiezen van een geschikt zoeksysteem (of plaats om informatie te zoeken),
  • Het definiëren van zoekwoorden die zich op het informatie probleem richten,
  • Het selecteren van geschikte informatiebronnen,
  • Het evalueren van informatiebronnen.

Strategische vaardigheden

  • Voordelen halen met behulp van internet.
  • Door het te orienteren op een juist doel.
  • De juise actie ondernemen om dat doel te behalen.
  • De juiste beslissingen nemen om dat doel te behalen.
  • De voordelen van dit doel te behalen.

300 proefpersonen moesten taken op internet uitvoeren, zoals een PDF bestand opslaan, navigeren in verschillende webdesigns, een tweesterrenrestaurant in Amsterdam opzoeken, en uitvinden hoe je het goedkoopst naar Amsterdam kunt reizen, met de trein of met de auto. Tijdens de taken werden alle scherm-acties van de proefpersonen opgeslagen.

Uit dat onderzoek  komt naar voren dat het bij ouderen schort aan de medium-gerelateerde vaardigheden, operationele en formele vaardigheden. Veel gemaakte fouten zijn het aan elkaar typen van zoekwoorden, het intypen van zoekwoorden in de menubalk en het verliezen van het overzicht als iets in een nieuw venster opent.

Bij jongeren is het beter gesteld met de medium-gerelateerde vaardigheden, maar blijven de inhoudelijk gerelateerde vaardigheden, informatievaardigheden, achter op die van de ouderen. Dit uit zich onder andere in veel te algemene zoekwoorden en een te sterke focus op het eerste zoek-resultaat.

De verrassende conclusie is dat ouderen die de techniek van internetten beheersen inhoudelijk hun weg beter vinden dan jongeren. De grootste verschillen bij alle soorten vaardigheden zijn echter waar te nemen tussen lager en hoger opgeleiden.

Ook blijkt dat strategische vaardigheden heel minimaal aanwezig zijn bij laag- en midden opgeleiden.

De kloof met de hoog opgeleiden is aanzienlijk. In plaats van de verschillen uit te vlakken accentueert Internet dus de bestaande verschillen.

Internet_Vaardigheid

Het ‘Trendrapport Computer- en Internetgebruik’ vindt in 2011 gelijkaardige resultaten.

Ongelijkheid bij “digital natives” worden onderschat

De term net-generatie of ‘digital natives’ wordt gebruikt om te verwijzen naar de jongeren die geboren zijn in het digitale tijdperk en bijgevolg doorheen hun hele leven blootgesteld zijn aan nieuwe media. Hierbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat deze jongeren automatisch over de nodige vaardigheden beschikken omwille van hun divers en intens gebruik van nieuwe media in het algemeen.

Een reeks onderzoeken stelt dit uitgangspunt in vraag en geeft aan dat de net-generatie niet zo digitaal vaardig is als wordt verondersteld. In de eerste plaats vormen jongeren geen homogene groep. Binnen de groep jongeren van 16 tot 25 jaar zijn er eveneens niet-gebruikers en bestaan er verschillen in de intensiteit en de diversiteit van het gebruik. Hetzelfde geldt voor toegang en vaardigheden.

Uit een studie in België, ‘Offline jongeren en de digitale kloof: Over het risico op ongelijkheden bij “digital natives”’ blijkt dat 9% van de jongeren in de leeftijdscategorie 16-24 jaar  nauwelijks of niet surft op het internet en 25% is geen regelmatige internetgebruiker is. Het beeld van jongeren als zijnde 100% digitaal vaardig moet dus duidelijk genuanceerd worden. Daarnaast is aandacht nodig voor de maatschappelijke impact van digitale uitsluiting bij jongeren want zo stellen de onderzoekers:

“De maatschappelijke impact van de digitale uitsluiting bij jongeren is bijzonder groot, omdat onderwijs- en beroepsopleiding-instellingen, arbeidsbemiddeling-agentschappen, besturen en werkgevers impliciet verwachten dat alle jongeren zich gedragen in overeenstemming met het stereotype van de “internetgeneratie”.” (Brotcorne et alii, 2009)

Uit een onderzoek aan de Northwestern University in de VS, ‘Trust Online: Young Adults’ Evaluation of Web Content‘, blijkt dat studenten de rangschikking van zoekresultaten op Google nagenoeg blindelings volgen en steevast het allereerste zoek-resultaat kiezen, zonder rekening te houden met de legitimiteit van de bron.

Slechts 10 procent van de studenten maakt gewag van de auteur van de website,  diens bronnen en credentials. Slechts één op drie studenten doet bij het vervullen van een taak beroep op de online encyclopedie Wikipedia. Zelfs ‘digital natives’ blijken dus niet over voldoende vaardigheden te beschikken om betrouwbare informatie te verzamelen.

Er is duidelijk nood aan cursussen mediawijsheid en lessen digitale zelfverdediging. De vraag is wel, kan je dit online organiseren? Leren tenissen per briefwisseling werkte ook niet zo bijzonder.

Legitimatie van commerciele netwerken?

We staan er vandaag niet meer bij stil, maar het Net werd niet online opgebouwd. Het begon met lokale initiatieven offline en internationale ontmoetingen, ‘face to face’ in de reële wereld. Het was ook de verbinding van twee werelden. Aan de ene kant had je de academische wereld (NSFNET en CERN) aan de andere kant groepen sociaal betrokken cyber-activisten, die het Internet uit probeerden en verbeterden.  Noticias, Hacktic en APS in Amsterdam, Antenna in Nijmegen, NoPapers in Utrecht, Ander Nieuws Netwerk in Den Haag en KnoopPunt in Gent zijn enkele van die lokale initiatieven die aan de weg timmerden (Polman  en van der Pouw Kraan, 1994).

Deze activisten ontmoeten elkaar op reguliere bijeenkomsten van de Association for Progressive Communications (APC heeft nog altijd 50 nodes in vijf continenten, waarvan 80% in ontwikkelingslanden) en op meer informele manifestaties zoals  Galactic Hackerparty (1989), Next5Minutes (1993), Hackers and the end of the universe (HEU, 1994), Hacking in Progress (HIP, 1997).

In feite eindigt dit tijdperk, waarin academici en activisten het Internet ontwierpen, verbeterden en beheerden, al in 1995 als de National Science Foundation haar backbone  NSFNET ontmantelt en overdraagt aan verschillende commerciële backbones. Die laatste draaiden wel nog op NFSNET software. (Samuelson en Varian, 2001, p. 3)

Over die vroege geschiedenis van het Net, waar de inventiviteit nog hoog tij vierde, vind je niets terug in het proefschrift van Tom Bakker. Zijn studie begint pas in het derde millenium. Toen was de Internetzeepbel, een hausse van 1997 tot 2000, al lang gebarsten. De beurs had het Net definitief  overgenomen van de pioniers en de basis-bewegingen.

Het Internet was definitief veranderd van een publieke dienst naar een commercieel netwerk. Google, Amazon en Facebook delen er de lakens uit.

Het ontbreken van kritiek op deze door de Clinton administratie gedirigeerde overname lijkt ze ook te legitimeren.  Een terugblik naar 1990 stelt die legitimatie in vraag en brengt ons terug bij de authentieke problemen en vraagstellingen van de burgermaatschappij en de basis-bewegingen uit die periode – problemen die intussen alleen maar zijn toegenomen.

Waarom Dan Gillmor zich vergiste

Tenslotte vernemen we ook niet waarom Dan Gillmor de bal missloeg toen hij de hemel beloofde aan ‘citizen journalism’. Het concept ‘grassroots journalism’ van Dan Gillmor is gebaseerd op een netwerk van losse individuen zonder ‘glue’ in de reële wereld. Daarom was het ook gedoemd te mislukken.

Een netwerk is geen groep. Een netwerk is geen sociale gemeenschap.

Een klein beetje kennis van de geschiedenis van basisgroepen en sociale bewegingen was voldoende geweest om dat te beseffen. Maar in een tijd waar het individualisme hoog tijd viert verwerpt men die kennis

Een netwerk-analyse van de Twitter logs legt de hiërarchische structuur ervan bloot. De onderzoekers betogen:

“Heel wat mensen, ook onderzoekers, adverteerders en politieke activisten beschouwen online sociale netwerken als een aangelegenheid om de verspreiding van ideeën te bestuderen, om sociale banden aan te halen en voor ‘viral marketing‘.

Deze zienswijze moeten bijgesteld worden door de resultaten van ons onderzoek. Een link tussen twee mensen betekent niet noodzakelijk interactie tussen hen. Zoals we aangetoond hebben voor Twitter, waren de meeste links betekenisloos, er was geen interactie. Daarom is het nodig het verborgen sociaal netwerk te vinden , dat er echt toe doet, als je probeert ideeën, een opinie of een trend van mond op mond  te verspreiden.” (Huberman et alii, 2011)

Op Twitter vind je vast dezelfde sociologische fenomenen terug als deze die door de ‘mainstream media’ en boulevard journalistiek gepropageerd worden. Verafgoding van sterren aan het firmament van verdwazing.

ALLE LINKS, IN ROOD ENKEL DEZE MET ECHTE INTERACTIE IN BEIDE RICHTINGEN

ALLE LINKS, IN ROOD ENKEL DEZE MET ECHTE INTERACTIE IN BEIDE RICHTINGEN

WAT OVERBLIJFT VAN HET TWITTER-NETWERK ALS DE BETEKENISLOZE LINKS ZIJN WEGGEHAALD EN ENKEL VRIENDEN OVERBLIJVEN

WAT OVERBLIJFT VAN HET TWITTER-NETWERK ALS DE BETEKENISLOZE LINKS ZIJN WEGGEHAALD EN ENKEL VRIENDEN OVERBLIJVEN

De vraag kan dan ook gesteld worden wat de participatie van gewone burgers via Twitter en Facebook waard is, als er geen paralel netwerk is in de reële wereld. Elke verandering begint daar, met wijktelevisie bijvoorbeeld.

Bronnen

Bakker, Tom. P., ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’, 2013, UvA, Amsterdam

Brotcorne, Périne, Mertens, Luc en Valenduc, Gérard, ‘Offline jongeren en de digitale kloof: Over het risico op ongelijkheden bij “digital natives”‘, 2009, POD Maatschappelijke integratie

Corten, Maarten , Opgenhaffen, Michael en d’Haenens, ‘Journalistieke competenties in Vlaanderen: een crossmediale competentiematrix‘, 2010

Costera Meijer, Irene en anderen ‘Een leesbare wijk, De impact van wijktelevisie‘, 2010, Zwolle: Lectoraat Media & Civil Society

Costera Meijer, Irene en Arendsen, Jolien, ‘Succesvolle participatieve journalistiek: faciliteren in plaats van reguleren’, 2010, De Nieuwe Reporter

Digivaardig & Digibewust, ‘Trendrapport Computer- en Internetgebruik’, 2011

Gillmor, Dan, ‘We the Media: Grassroots Journalism by the People, for the People‘, 2004, O’Reilly Media

Hahn, Nadja, ‘What good is Twitter: The Value Of Social Media To Public Service Journalism’, 2013, EBU

Hargittai, Eszter, Fullerton, Lindsay, Menchen-Trevino, Ericka, en Yates Thomas, Kristin,’Trust Online: Young Adults’ Evaluation of Web Content‘, 2010, Northwestern University

Huberman, Bernardo A., Romero, Daniel M. en Wu, Fang, ‘Social networks that matter: Twitter under the microscope’, 2011, uk.arXiv.org, Cornell University

ITU, ‘Measuring the Information Society’, 2012

KnoopPunt vzw, ‘Algemene Doestellingen en Verantwoording’, 1992, Privé archief

KNAW, ‘Digitale Geletterdheid in het Voortgezet Onderwijs’, 2012

Mills, C.Wright, ‘The Structure of Power in Americal Society’, 1956, New York City: Oxford University Press

Mills, C. Wright, ‘De Sociologische Visie’, 1959, Aula, Utrecht, Antwerpen, Vertaling van originele versie Oxford University Press

Polman, Michael en van der Pouw Kraan, Peter ‘Van Bolwerken tot Netwerken’, 1994, ISBN 90-72768-38-8

Reuters Institute for the Study of Journalism, ‘Digital Report of Reuters Institute for the Study of Journalism’, 2012

Samuelson, Pamela en Varian, Hal R. , ‘The “New Economy” and Information Technology Policy’, 2001, University of California, Berkeley

Soete, Han, ‘1 jaar DeWereldMorgen.be’, 2011, gepubliceerd op 23 maart 2011, op De Wereld Morgen

van Deursen, Alexander, ‘Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers‘, 2008, Scientific Report Series Enschede, April 2008 Universiteit Twente

Advertisements