Wat als activering de-activering wordt?

In dit laatste artikel in een reeks van drie over armoede en mensen met financiële problemen komen drie vragen aan bod. Waarom is ondanks het activeringsbeleid sedert de jaren negentig de armoede niet afgenomen? Waarom werkt die activering niet? En als laatste waarom werklozen en mensen met financiële problemen dan toch nog door iedereen verguist worden als blijkt dat het activeringsbeleid van de regeringen werkt als een tang op een varken.

robot-factory-img

Niets is wat het lijkt

Twee maten en twee gewichten

Het wettelijk kader van de Collectieve Schuldregeling behandelt mensen als bedrijven in faling maar in tegenstelling tot bedrijven worden ze wel voor de volle 100% aansprakelijk gesteld, wat niet het geval is bij nv’s, bvba’ en cvba’s.

Mensen degraderen tot hun boekhoudkundige waarde is wel bijzonder cynisch als je weet dat wie 850 € kan neertellen voor notariskosten en expertkosten, en een Besloten Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid kan oprichten om beroepsinkomsten in onder te brengen. Elke zelfstandige, maar ook loontrekkers uit de privésector, en zelfs gepensioneerden kan zo’n vennootschap stichten. Ook al zijn dan de werkelijke inkomsten 50.000€, 100.000€ of meer per jaar, dan laten ze zich gewoon slechts 12.000 € uitbetalen. En dan komen ze zelfs nog in aanmerking voor een belastingkorting. Heel wat persoonlijke kosten kunnen ingeschreven worden op de bvba. En gaat die in faling, geen enkel probleem. De oprichter is niet aansprakelijk tenzij fraude kan worden aangetoond.

De tolerantie tegenover deze belasting ontwijkende “ondernemers” staat in schril contrast met het culpabiliseren van mensen met financiële problemen. De schuld bij de slachtoffers leggen is de laatste vijftien jaar een algemene trend. Ook de werklozen moeten het verduren. Een haatgroep op Facebook tegen doppers haalde eind 2011 meer dan 11.000 leden (Bron: Activering zoals het is (over)leven op de arbeidsmarkt, Reflecties op de trefdag van 26 oktober 2012, p. 1-2; 35-36)

De-industrialisering en automatisatie

Sedert de jaren negentig voert men het beleid van de ‘actieve welvaartsstaat’. “Werk is de beste remedie tegen armoede.” Dat is het steeds terugkerende adagium. Hoe meer mensen werken, hoe minder sociale uitgaven en dus komt er dan ruimte vrij voor betere uitkeringen. Dat is de theorie. Maar als je de cijfers bekijkt heeft het activeringsbeleid dat de laatste vijftien jaar gevoerd werd niets uitgehaald. Volgens de statistieken van de VDAB waren er in 2000 6,4% werklozen, in 2013 zijn er dat 7,49%. Een negatief saldo dus. Dat de crisis daar voor iets tussen zit is legio, maar vooruitgang is er niet echt geboekt.

In de jaren zestig trok de eerste golf van de-industrialisering over Vlaanderen met de teloorgang van de textielnijverheid. Sedertdien kwam er golf na golf: de steenkoolnijverheid, de zware metaalnijverheid, de automobielsector, het houdt niet op. Sedert de jaren tachtig dunde de automatisering de werkplaatsen in de massaproductie en de bediendesector nog verder uit en vandaag komt de robotisering er ook nog aan.

In de jaren zestig en zeventig werden nog arbeidsplaatsen gecreëerd in de industrie, vooral door buitenlandse investeringen, en won de verwerkende industrie zelfs een groter aandeel in de totale tewerkstelling. In 1973 is ze goed voor 31 % van het aantal werknemers van het land. De tewerkstelling daalt voor het eerst bruusk in de jaren tachtig: van 258.000 in 1980 naar 207.000 in 1987. In 2011 zijn nog nauwelijks 190.000 mensen aan het werk in de verwerkende nijverheid. (Bron: Henri Houben, De-industrialisering wat doe je er tegen?)

En sedertdien komen er geen jobs meer bij voor laaggeschoolden, maar ons onderwijs blijft die wel in even grote getallen produceren. Vandaag zijn ook de hooggeschoolden bedreigd. Vertalingen, data-analyses, juridisch opzoekwerk kunnen stilaan overgenomen worden door computers.

Paradoxen van de welvaartsstaat

Bea Cantillon wees in 2009 al op de paradoxen van dat activeringsbeleid. Het Matheus effect blijft spelen. Nieuwe jobs komen zelden ten goede van de sociaal zwakkeren maar wel van de middenklasse. De stijging van de participatiegraad in België bijvoorbeeld – in 1983 was maar de helft van de Vlamingen op actieve leeftijd aan het werk, in 2007 al twee op de drie – weerspiegelt vooral de verbeterde positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. Jobs komen vooral terecht bij gezinnen die zich voorheen niet onder de armoedegrens bevonden, vooral omdat er voordien al iemand in het huishouden aan het werk was (CSB, De Paradox van de investeringsstaat: waarom is de armoede niet gedaald, CSB_2009, p. 16-18; 27-28).

Lage armoedecijfers worden niet behaald door veel werk, maar vooral door een hoogstaand sociaal vangnet, in combinatie met waardig werk. En dat sociaal vangnet werd en wordt beetje bij beetje verder afgebroken, zowel door de vorige als door de huidige regering.

Men wil de zogenaamde ‘werkloosheidsval’ bestrijden onder de mom van “als het verschil tussen dopgeld en minimumloon te klein is, dan blijft men in de werkloosheid hangen”. Maar het gevolg van die strategie is dat de minimumuitkeringen de welvaart niet meer volgen. Ze zijn te laag en mensen komen erdoor in de problemen (CSB_2009, p. 24-26). Zie ook onderstaande statistiek.

WelvaartsErosieUitkeringen

In België leeft in 2012 15% van de bevolking in financiële armoede. Een stijging van 0,7% tegenover 2004. De armoedegrens voor een huishouden ligt op een inkomen van 12.035 € netto per jaar of 1.003 € netto per maand voor een alleenstaande en op 25.273 € netto per jaar of 2.106 € netto per maand voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen (bron: Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, Feiten en cijfers).

Wat schaarste aanricht

Als je die 15% mensen onder de armoedegrens bekijkt vallen de achterstallen beschreven in de twee vorige artikels nog mee. 1,6% van de bevolking heeft een budgetmeter voor gas en elektriciteit. Het zouden er veel meer kunnen zijn.

De betaalachterstanden geregistreerd door de Centrale voor Kredieten, die niet noodzakelijk gemaakt worden door de armste bevolking swingen ook niet echt de pan uit. Volgens de Nationale Bank hebben 341.416 personen, of 3,7 % van de meerderjarige bevolking, een betaal achterstand. Bijna een op drie daarvan, of 107.103 personen zit eind 2013 in de Collectieve Schuldenregeling. Dit is een stijging van 5,9% tegenover 2012 (Bron: Centrale voor kredieten aan particulieren, NBB_2013, p. 11).

Alles samen genomen toont dit aan dat de arme 15% zijn opperste best doet om geen schulden te maken. Als je wil weten of het inkomen van jouw gezin boven of onder de armoedegrens ligt en hoeveel, kan je de beroep doen op de precieze berekeningen van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck.

Misschien zouden de armen beter wat minder hun best doen. Want het is net doordat ze verzuipen in dagdagelijkse beslommeringen dat ze onderpresteren volgens Shafir en Mullainathan. Een van hun onderzoeken in het boek ‘Schaarste, hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen‘, concentreerde zich op vluchtleiders (p. 200-201). De werkdruk van vluchtleiders hangt af van het aantal vliegtuigen dat in de lucht is, en dat kan verschillen van dag tot dag. De onderzoekers ontdekten dat het aantal vliegtuigen dat in de lucht was de kwaliteit van het ouderschap ‘s avonds voorspelde. Meer vliegtuigen leverde slechte ouders op. Te veel stress is niet alleen ongezond voor degenen die er last van hebben maar ook voor hun omgeving.

Mensen met financiële problemen hebben alle dagen te veel vliegtuigen in de lucht. Ze hebben ook nooit vrijaf. Hun werkgeheugen wordt ingenomen door de focus op de rekeningen die ze moeten betalen, hoe goedkoop aan voedsel geraken, kinderen die naar de dokter moeten, allerlei herstellingen aan hun huis die maar blijven aanslepen enzovoort. Hun hoofd zit vol met overlevingsproblemen. Daardoor verliezen ze cognitieve bandbreedte. Ze worden vergeetachtig en kunnen zich niet meer concentreren, waardoor hun problemen dikwijls nog erger worden. Armoede creëert nog meer armoede. Er is ook zoiets als armoedestress, maar die is spijtig genoeg nog maar weinig onderzocht, volgens Dirk De Bacquer op de dienst Sociale Geneeskunde van Ugent.

Ze gaan er op den duur mentaal onderdoor en ook de opvoeding van hun kinderen leidt daaronder. Sleutelen aan het onderwijs voor kansarme kinderen is een stap vooruit, maar een stap te weinig. Ouders voldoende financiële ruimte geven en terug bandbreedte moet de eerste stap zijn, en dan volgt de rest van zelf.

Ook bij de armoede werkt symptoombestrijding niet

Wat niet werkt, en daarover zijn Shafir en Mullainathan heel expliciet zijn allerlei opleidingsprogramma’s om mensen in de financiële problemen te leren omgaan met geld (p. 214-217). En dat baseren ze niet alleen op hun empirisch bewezen schaarste theorie, ze zijn zelf ook met mensen in armoede gaan werken. Ook de ‘voorwaardelijke’ inkomens-steun waarbij de hoeveelheid financiële steun die men ontvangt afhangt van vormen van ‘goed’ gedrag werkt als een tang op een varken. Zie bijvoorbeeld de voorstellen om mensen te korten op kinderbijslag die regelmatig opduiken vanuit rechtse hoek. Armoede en sociale uitsluiting maken mensen amorf.

In feite is dit al aangetoond in het onderzoek naar sociale uitsluiting door de sociaal psycholoog Baumeister en zijn team (2005) en door de sociaal neurologen Eisenberg (2003) en Sommerville (2006). Sociale uitsluiting heeft ook nog een pervers effect. Mensen verliezen er hun zelfcontrole door. Daardoor gaan ze gedrag vertonen waardoor ze nog meer uitgesloten worden. Ook dit is een negatieve spiraal waar je moeilijk terug uitgeraakt.

Voor politici en ook voor mensen die in de sociale sector werken zou het boek van Shafir en Mullainathan verplichte litteratuur moeten zijn. Nu bij deze laatsten is ook dikwijls het bewustzijn al aanwezig dat als het systeem niet verandert, het pompen of verzuipen is, zeker nu men in de sociale sector ook al de bedrijfscultuur wil invoeren. Quota, targets, efficiëntieparameters, het kan niet op.

Naast frustratie zijn een hogere werkdruk en werklast de ingrediënten van de explosieve cocktail “burn-out”. Met de garantie op een strike,” is dan de logische reactie van Niels De Rudder en Ingmar Baeyens vanuit de sector.

Microkredieten werken ook niet omdat ze te veel gebruikt worden om directe noden te dekken en niet voor winstgevende activiteiten (p. 214).

Oplossingen die wel werken

Kinderopvang subsidiëren voor arme gezinnen werkt wel, omdat dit de arme moeders ademruimte geeft (p. 223). Maar wat doet de Vlaamse regering? De kinderopvang flink duurder maken. Op de Freinetschool “De Vlieger” in de 19de eeuwse gordel van Gent hadden de ouders een discreet solidariteitsfonds opgericht voor de kansarme gezinnen. Hun motto was, alle kinderen moeten mee op schoolreis. Onderlinge solidariteit werkt ook natuurlijk.

Als je opleidingen wil geven aan armen, stellen de auteurs, hou die zo kort mogelijk, enkele vuistregels volstaan want anders neem je te veel bandbreedte in beslag (p. 219-222). Een initiatief, bedacht door een creatieve kracht uit de sector van de hulpverlening, is het organiseren van vakanties voor arme gezinnen. Van de armoede zelf kan men niet vrij nemen, maar men is er toch eens uit, het helpt. Dat zijn de dingen die mogelijk zijn binnen het huidige wettelijke kader, maar dat is zeker niet genoeg.

Kwijtschelding van de overlevingsschulden. Dat zeker. Maar dit is onvoldoende als een te lage inkomens zoals werkloosheidsuitkering, leefloon en leefgeld niet opgetrokken worden. Een basisinkomen boven de armoedegrens is essentieel. In een land waar de belastingdruk al jaren vergelijkbaar is met landen als Zweden en Finland, moet daar ook een menswaardig sociaal beleid tegenover staan. Dat is nu niet het geval.

De Belgische jeugdwerkloosheid bedroeg de voorbije tien jaar gemiddeld 19,8 procent (Bron: Synerjob, De jeugdwerkloosheid in België 2013). Het korten van de wachtuitkeringen bij jongeren is bijzonder onrechtvaardig. Sommige jongeren worden zo in de armoede geduwd ook met een diploma van hoger onderwijs.

We lopen het risico een ganse generatie amorf te maken. Op dat moment wordt activering de-activering. Zo laten we talenten en creativiteit verloren gaan die onze maatschappij met zijn financiële crisis en klimaat crisis nochtans hard nodig heeft. Een herverdeling van het werk zoals het NEF voorstelt behoort tot de oplossingen op langere termijn.

De voorgaande regeringen hadden wel 25 miljard euro veil om de banken te redden, maar op zoveel clementie kunnen de mensen met financiële problemen niet rekenen. Dat de 1% rijkste hun zakken gevuld hebben met de productiviteitsstijging sedert de jaren tachtig en dat na de financiële crisis nog altijd doen is geen nieuws. Dit roept de vraag op: “Waarom worden mensen met financiële problemen en werklozen dan zo schofterig behandeld? Ook door de goegemeente?” Een argument: de politici en het wetgevend kader doen het ook. Dat speelt in alle geval een rol.

Mensen die met hun hoofd nog in de jaren zestig leven, toen volledige tewerkstelling nog voor de hand lag? Andere verklaringen zijn meritocratie en arbeidsethos. Beide zijn inderdaad wijd verspreid, maar het zit dieper. Niet alleen mensen in collectieve schuldregeling worden behandeld als bedrijven, ook degenen die wel werken moeten presteren als een onderneming.

Iedereen onderneming?

Dardot en Laval beschrijven in ‘The New Way of the World: On Neoliberal Society’ hoe het neoliberalisme het mensbeeld en wereldbeeld veranderd heeft. Het nieuwe (neoliberale) subject wordt beschouwd als de bezitter van zichzelf, als ‘menselijk kapitaal’. Dit kapitaal kan worden geaccumuleerd door middel van onafhankelijke keuzes op basis van een verantwoorde kosten en baten analyse. Het is tezelfdertijd een zelf gekozen en een opgelegd risico. Ook de bedelaar is er zijn eigen onderneming.

Wat de ‘powers that be’ willen bereiken is dat het nieuwe subject zijn zelfrealisatie nastreeft in werk in dienst van een bedrijf. Dit werk als zijn eigen project beschouwt. Dit zijn de waarden van het neoliberale systeem en van individuen wordt verwacht dat ze die overnemen. Zich eigen maken door zelf-training. Iedereen onderneming. Het individu als zijn eigen uitbuiter.

Toch neemt de druk daarom niet af, werknemers worden wel nog voortdurend geëvalueerd. ‘Rank and yank’ is een van die meest gebruikte, maar ook dikwijls falende, evaluatiesystemen. Zie daarvoor naar het Enron schandaal, dat het systeem ook gebruikte.

Volgens dat systeem zouden 20% van de werknemers energiek en passioneel met hun job bezig zijn. ‘They make things happen’, zegt men. 70%, de grote massa, presteert goed maar het ontbreekt hen aan creativiteit. 10% is niet productief en moet dus ontslagen worden. Of het echt werkt is zeer de vraag. Het vervalsen van statistieken en werkverslagen was ook al legio in het voormalige Oostblok. Pogingen tot ‘mindcontrol’ hebben soms averechtse effecten. Toch zijn er een pak grote bedrijven die dit systeem letterlijk toepassen en zo na elke golf van ontslagen hun beurskoers de hoogte in jagen.

Competitie is het ordewoord. De strijd van iedereen tegen iedereen. Lees er Paul Verhaeghe maar op na. Een economisch systeem dat psychopathische persoonlijkheidskenmerken beloont heeft onze ethiek veranderd. Dat dit tot frustraties en enorme stress leidt hoeft geen betoog. Want ook het zwaard van Damocles hangt boven het hoofd van degenen die zich perfect weten in te passen in dat onmenselijk systeem.

Status competitie en de erdoor veroorzaakte benauwdheid en stress worden ook door Richard Wilkinson en Kate Pickett met de vinger gewezen. In ‘The Spirit Level‘ zijn dat de mechanismen die schuilgaan achter de epidemiologische correlaties die ze ontdekten tussen ongelijkheid enerzijds en levensverwachting, mentale gezondheid, tienerzwangerschappen, onderwijsprestaties en obesitas anderzijds (p. 31-62).

Zijn frustraties afreageren op de 1% rijkste kan niet, want die blijven onbereikbaar. Dus dan maar de onfortuinlijke uitgekozen, de werklozen, de mensen met financiële problemen… en dat lucht op. Maar de solidariteit wel aan flarden, op een moment dat die meer dan broodnodig is.

In de conclusies van het Vlaams Centrum Schuldenlast staat een zinnetje dat blijft hangen:

“Algemeen kan geconcludeerd worden dat iedereen terecht zou kunnen komen bij een instelling voor schuldbemiddeling, maar dat bepaalde groepen hier duidelijk extra kwetsbaar voor zijn.” (Vlaams Centrum Schuldenlast, Cijfer- en profielgegevens van de Vlaamse huishoudens in budget- en schuldhulpverlening anno 2013, VSC_2013, p. 7)

De kwetsbare groepen volgens het Vlaams Centrum Schuldenlast:

– de alleenwonenden: dat is een op de drie belgen;

de eenoudergezinnen: twee op drie Belgische huwelijken eindigen in een scheiding;

de huurders: het aandeel van de door hun eigenaar bewoonde woningen is 66%;

de laag geschoolden: 28 % heeft een diploma hoger onderwijs.

(Bron: Census 2011, een volkstelling voor de eenentwintigste eeuw en Knack)

Met dank voor de input van Dirk, Hanna, Joyz en Wim.

Advertisements