Reis naar een land dat niet meer bestaat (16/16)

Dubravka:  Split, Zondag 26 Juni 1988, 02:00

Lichtjes beneveld arriveren we op mijn kamer. Een mistige roes gaat af en aan in mijn hoofd. Wat moet ik met dit bizar pla n van Djevojka. Ik moet in beweging blijven, niet nadenken, doen. We dansen om beurten met Ferre. Ik weet niet of ik dit wil of niet. Maar ik en Djevojka hebben een pakt gesloten. Wij zijn om beurten dirigent en solist, de koninginnen die harten doen smelten. De mannen spelen de tweede partituur. Terwijl ik met Ferre dans, gaat Djevojka languit op het bed liggen. Daardoor schuift haar kleed omhoog en zie je een tipje van haar slipje. Ik word er zelfs een beetje geil van. Is dat nu de bedoeling? Als we wisselen neemt Ferre, die toch ook al flink in de wind is, haar poes boven haar slipje. Dat komt ervan. Als hij haar preutje loslaat tijdens het dansen, leidt ze er zijn hand terug naartoe maar nu onder haar slipje. Ze geniet duidelijk van zijn strelingen en geneert zich niet voor mij. Ik kan niet meer volgen.

‘Ja se osjećam vruće, topim,’ (Ik heb het warm, ik smelt) zucht ik. Ik moet iets doen.

‘Ja ću pomoći,’ (ik zal je helpen) antwoordt Djevojka. Ze doet de nog resterende knopjes van mijn bloes open en doet die traag uit.

We giechelen allebei en we beginnen met mekaar te dansen. We dansen dicht bij elkaar. Djevojka wrijft met haar wang tegen mijn wang. Haar heupen schuiven tegen mijn heupen. Ik voel de warmte uit haar schoot stralen. Ik streel  over haar mooie kont en duw haar tegen me aan, mijn handen glijden ongedurig over haar achterbillen alsof ik haar wil optillen waardoor haar kleed naar omhoog schuift. De tepels van Djevojka zijn hard. Het maakt me geil. Maar Ferre is ook nog wakker. Hij kan het niet laten eens langs die prachtige dijen van Djevojka te strelen en nog even zijn hand tussen haar billen te laten glijden voor hij zich – straks komen onze handen daar mekaar nog tegen – op een stoel, mijn enige stoel, laat zakken.

‘Vruće…’ zuchte Djevojka en ze laat haar kleedje zakken op haar heupen. Continue reading

Reis naar een land dat niet meer bestaat (deel 12/16)

Djevojka: Pisak, Donderdag 23 juni 1988, 15:00

‘…Trouwens ik vraag toch geen speciale gunsten alhoewel jij een rijke tourist bent en ik een arm Joegoslavisch meisje,’ Zo begon onze eerste kleine ruzie.

‘Eerst en vooral ik ben niet rijk, ik verdien goed mijn brood, meer niet…’

‘Ferre, ik woonde een jaar in Engeland, ik ken het verschil. Ik leef in een arm land,’ zei ik onderbrekend en toen toverde hij een konijn uit zijn hoed.

‘Misschien, maar de mensen hier zijn gelukkig. Ik zou naar Joegoslavië willen komen wonen eens ik mijn diploma informatica  heb. Ik ben een dissident in mijn eigen land.’ Hij trok zich zachtjes los en keek me ernstig aan. Hij meende het. Wat nu gezongen?

‘Glupan! De mensen immigreren vanuit Joegoslavië omdat ze hier geen werk vinden. Het geld wordt hier alle jaren minder en minder waard. Jij weet niet wat je zegt. Als alles goed komt ga ik ook in het buitenland studeren.’ Hij keek me verwonderd aan.

‘Echt?’ Hij leek een beetje aangeslagen van mijn reactie.

‘Ja natuurlijk is het echt.’ Hij zweeg lange tijd.

Toen had hij nog een lumineus idee: ‘We zouden kunnen misschien kunnen samenwonen in België dan?’ Dat was niet de bedoeling.  Maar wat ging er achter die frons? Ik merkte dat hij een fijn vertikaal groefje heeft tussen zijn ogen.

‘Ik dacht dat je een dissident was in België, en nu wil je daar  ineens toch blijven.’ Hier had hij niet van terug. Hij aarzelde lang. Het groefje tussen zijn ogen werd dieper. Continue reading

Reis naar een land dat niet meer bestaat (deel 8/16)

Djevojka: Pisak, zondag 20 juni 1988, 19:00

Zelfs de muren van de huizen onthouden wat ze gehoord hebben in dit verdoemde land. Na elk hevig onweer hebben we hier wel altijd ergens een lek in de gammele afwatering. Het gele drassige water stroomt over de wegen. Soms stroomt de modder de huizen binnen. Telkens weer wordt die modder opgeschept maar de muur onthoudt waar het water is beginnen doorsijpelen, de vloer is die drab niet vergeten en telkens opnieuw zal het vuile water een weg vinden en gele modder achterlaten, tot zolang ze in dit land niet leren om op voortreffelijke manier afwateringen te bouwen. Ik ben het ploeteren beu. Dit vermaledijde land koestert zijn drab en modder, strooit graag zout in de wonde in plaats van te vergeten. Wie in het verleden leeft gaat achteruit en ik wil vooruit. We hebben hier evenveel vuiligheid als in om het even welk ander land, niet meer of minder, alleen we hebben geen zeep genoeg om ze af te wassen. Ik wil hier weg, naar een fatsoenlijk land waar wel zeep is. Continue reading